Il che introduce delle frasi subordinate che possono essere oggettive o relative.

(Il che introduce delle frasi subordinate che possono essere oggettive o relative. (Het che leidt bijzinnen in die objectief of betrekkelijk kunnen zijn.))

Che: 2 functies die je uit elkaar moet houden

Che kan in deze les twee dingen doen:

  • Objectzin (oggettiva): na een werkwoord zoals dire, sapere, pensare, credere betekent che = dat.
  • Betrekkelijke bijzin (relativa): na een zelfstandig naamwoord betekent che = die/dat en verwijst terug naar dat woord.

Tip: vraag jezelf altijd: hoort het bij een werkwoord of bij een zelfstandig naamwoord?

1) Oggettiva: werkwoord + che + zin ("ik weet dat...")

  • Je gebruikt dit als de tweede zin is wat iemand zegt/weet/denkt.
  • In het Nederlands is dit meestal dat.
Signaal Structuur Voorbeeld
Verbo (zeggen/weten/denken) verbo + che + zin

Il dottore dice che la dieta è equilibrata.

So che perdi peso con lo sport.

Let op: in het Italiaans laat je che meestal niet weg.

So perdi peso con lo sport.So che perdi peso con lo sport.

2) Relativa: naamwoord + che + werkwoord ("het dieet dat...")

Hier vervangt che een woord en plakt het twee zinnen aan elkaar.

Waar staat het? Wat doet het? Voorbeeld
Na een naamwoord Betekent die/dat en verwijst terug

La dieta che segui è salutare. (het dieet dat je volgt)

Il pasto che mangi contiene spinaci. (de maaltijd die je eet)

Che is invariabel: geen m/v, geen enkelvoud/meervoud

  • che blijft altijd che, ook bij meervoud.
  • Je kiest dus niet zoals in het Nederlands tussen die/dat.

Voorbeeld:

  • La dieta che segui…
  • Gli alimenti che porti in ufficio…

Che als onderwerp of als lijdend voorwerp: zo check je het

In de relatieve bijzin kan che twee rollen hebben:

  • Onderwerp: che = “die/dat” doet iets.
  • Lijdend voorwerp: che = “die/dat” ondergaat iets (iemand doet iets ermee).
Rol Mini-test Voorbeeld
Onderwerp Na che komt vaak direct het werkwoord (en er is geen ander onderwerp)

Conosci il collega che prepara sempre un pranzo leggero.

(de collega is degene die voorbereidt)

Lijdend voorwerp Na che staat vaak een onderwerp (ik/jij/hij/…)

Il riso che mangi a pranzo ti dà energia.

(jij eet de rijst)

Veelgemaakte fout: géén voorzetsel vóór che

In deze les geldt: che wordt niet voorafgegaan door een voorzetsel.

  • Il pranzo di che mangio…
  • La lista per che preparo…

Correct:

  • Il pranzo che mangio in ufficio è leggero.
  • La lista che preparo per la spesa è corta.

Praktisch: als je in het Nederlands “waarvan/aan wie/met wie” nodig hebt, heb je in het Italiaans vaak een andere oplossing (bv. cui). Die komt later; hier oefen je vooral che zonder voorzetsel.

Snelle zelfcheck (2 vragen)

  1. Komt che na een werkwoord (zeggen/weten/denken)? → oggettiva (= dat).
  2. Komt che na een naamwoord (de dieet/het eten/de collega)? → relativa (= die/dat).

Als je deze twee checks doet, kies je in de meeste A2-zinnen meteen de juiste che.

  1. Il 'che' relativo si usa per sostituire un nome e allo stesso tempo per unire e mettere in relazione due frasi, una principale e l'altra secondaria. (Het betrekkelijke 'che' gebruik je om een zelfstandig naamwoord te vervangen en tegelijk twee zinnen met elkaar te verbinden: een hoofdzin en een bijzin.)
  2. Il 'che' è invariabile e usato come soggetto o oggetto della frase secondaria. ('Che' is onveranderlijk en wordt gebruikt als onderwerp of lijdend voorwerp in de bijzin.)
Subordinata (Bijzin)Formula (Formule)Esempio (Voorbeeld)
Oggettiva (Objectieve bijzin)Verbo + che + frase (Werkwoord + che + zin)

Il dottore dice che la dieta è equilibrata. (De dokter zegt dat het dieet evenwichtig is.)

So che perdi peso con lo sport. (Ik weet dat je afvalt door te sporten.)

Relativa (Betrekkelijke bijzin)Nome + che + verbo (Zelfstandig naamwoord + che + werkwoord)

La dieta che segui è salutare. (Het dieet dat je volgt is gezond.)

Il pasto che mangi contiene spinaci. (De maaltijd die je eet bevat spinazie.)

Uitzonderingen!

  1. Il 'che' non è mai seguito da preposizioni. ('Che' wordt nooit gevolgd door voorzetsels.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. La dieta ____ segui è bilanciata, ma devi idratarti di più.

Het dieet ____ je volgt is evenwichtig, maar je moet meer drinken.

2. Il riso ____ mangi a pranzo ti dà energia per il pomeriggio.

De rijst ____ je tijdens de lunch eet geeft je energie voor de middag.

3. Gli spinaci ____ compro al mercato sono freschi e costano poco.

De spinazie ____ ik op de markt koop is vers en goedkoop.

4. La frutta ____ mangi dopo lo sport è una buona abitudine.

Het fruit ____ je na het sporten eet is een goede gewoonte.

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin.

1.
Fout: je gebruikt geen lidwoord vóór het betrekkelijke "che".
Fout: "che" kan niet voorafgegaan worden door een voorzetsel ("di").
2.
Fout: "che" ontbreekt om de ondergeschikte objectzin in te leiden na "so".
Fout: dubbele "che" en de woordvolgorde is niet correct.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Verbind de twee zinnen tot één zin met "che" (object- of betrekkelijke bijzin).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Il dottore dice una cosa. La dieta è equilibrata.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Il dottore dice che la dieta è equilibrata.
    (De dokter zegt dat het dieet evenwichtig is.)
  2. So una cosa. Perdi peso con lo sport.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    So che perdi peso facendo sport.
    (Ik weet dat je afvalt door te sporten.)
  3. Segui una dieta. La dieta è salutare.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    La dieta che segui è salutare.
    (Het dieet dat je volgt is gezond.)
  4. Mangi un pasto. Il pasto contiene spinaci.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Il pasto che mangi contiene spinaci.
    (De maaltijd die je eet bevat spinazie.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Maak een gezond lunchmenu en leg de keuzes uit met zinnen met 'che'.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
In ufficio, discuti con una collega della dieta che seguite ogni giorno.
(Op kantoor bespreek je met een collega het dieet dat jullie elke dag volgen.)

Bespreek
  • Quali abitudini salutari hai che ti aiutano a perdere peso? (Welke gezonde gewoontes heb je die je helpen om af te vallen?)
  • Quali cibi scegli spesso che sono bilanciati e facili da portare in ufficio? Perché? (Welke voedingsmiddelen kies je vaak die evenwichtig zijn en makkelijk mee te nemen naar kantoor? Waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • La dieta che seguo è equilibrata e salutare. (Het dieet dat ik volg is evenwichtig en gezond.)
  • I cibi che porto in ufficio: riso, zucchina, spinaci, tonno. (Het eten dat ik meeneem naar kantoor: rijst, courgette, spinazie, tonijn.)
  • La fragola che compro è buona, ma preferisco la mela che dura di più. (De aardbei die ik koop is lekker, maar ik geef de voorkeur aan de appel die langer meegaat.)

Gebruik in gesprek
  • Il piatto che mangio spesso è… (Het gerecht dat ik vaak eet is…)
  • L'abitudine che mi aiuta è… (De gewoonte die mij helpt is…)
  • Ci sono cibi che evito perché… (Er zijn voedingsmiddelen die ik vermijd omdat…)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 16/04/2026 05:58