1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (17)

La spiaggia

La spiaggia Show

Het strand Show

Il mare

Il mare Show

De zee Show

La montagna

La montagna Show

De berg Show

L'isola

L'isola Show

Het eiland Show

La destinazione

La destinazione Show

De bestemming Show

La crociera

La crociera Show

De cruise Show

Il volo

Il volo Show

De vlucht Show

L'agenzia di viaggi

L'agenzia di viaggi Show

Het reisbureau Show

La guida turistica

La guida turistica Show

De gids (tourist) Show

L'itinerario

L'itinerario Show

Het reisprogramma / de route Show

Il turismo

Il turismo Show

Het toerisme Show

Il turista

Il turista Show

De toerist Show

Andare in vacanza

Andare in vacanza Show

Op vakantie gaan Show

Visitare

Visitare Show

Bezoeken Show

Comprare un biglietto

Comprare un biglietto Show

Een kaartje kopen Show

Fare la valigia

Fare la valigia Show

De koffer inpakken Show

Rilassato

Rilassato Show

Ontspannen Show

3. Grammatica

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Newsletter aziendale: idee per le vacanze estive

Woorden om te gebruiken: visitare, Italia, spiaggia, isole, agenzia, montagna, volo, comprare, mare, itinerario

(Bedrijfsnieuwsbrief: ideeën voor de zomervakantie)

L’ufficio HR della nostra azienda propone alcune idee per le vacanze estive in Italia. Molti colleghi scelgono il Sud per il clima mediterraneo e per il . Chi vuole una vacanza rilassata preferisce la e le piccole , per esempio Capri o le Eolie. Altri invece vanno in per fare trekking e respirare aria fresca.

Per chi non ha molto tempo, l’HR consiglia un weekend in una città d’arte. È possibile un biglietto online per il treno o il e musei e monumenti. Alcuni colleghi usano l’ di viaggi dell’azienda per organizzare l’ , per risparmiare tempo e per godersi la vacanza senza stress.
De HR-afdeling van ons bedrijf stelt enkele ideeën voor de zomervakantie in Italië voor. Veel collega's kiezen voor Zuid-Italië vanwege het mediterrane klimaat en vanwege de zee. Wie een ontspannen vakantie wil, geeft de voorkeur aan het strand en aan kleine eilanden, bijvoorbeeld Capri of de Eolische Eilanden. Anderen gaan juist naar de bergen om te wandelen en frisse lucht te halen.

Voor wie niet veel tijd heeft, raadt HR een weekend in een kunststad aan. Het is mogelijk een kaartje online te kopen voor de trein of voor een vlucht en musea en monumenten te bezoeken. Sommige collega's gebruiken het reisbureau van het bedrijf om het reisplan te organiseren, om tijd te besparen en van de vakantie te genieten zonder stress.

  1. Per quale motivo molti colleghi scelgono il Sud Italia per le vacanze?

    (Waarom kiezen veel collega's voor Zuid-Italië voor de vakantie?)

  2. Qual è la differenza tra chi sceglie la spiaggia e chi sceglie la montagna?

    (Wat is het verschil tussen wie het strand kiest en wie de bergen kiest?)

  3. Come possono i colleghi comprare i biglietti per il treno o per l’aereo?

    (Hoe kunnen collega's kaartjes voor de trein of het vliegtuig kopen?)

  4. Tu che tipo di vacanza preferisci: mare, montagna o città d’arte? Perché?.

    (Welk soort vakantie verkies jij: zee, bergen of een kunststad? Waarom?)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. L’anno scorso ___ ___ la Sicilia perché volevo fare una vacanza rilassata al mare.

(Vorig jaar ___ ___ Sicilië omdat ik een ontspannen strandvakantie wilde.)

2. Non ___ ___ la montagna a causa di una tempesta di neve.

(We ___ ___ de bergen niet vanwege een sneeuwstorm.)

3. Durante il viaggio di nozze, mia moglie e io ___ ___ Roma per interesse storico.

(Tijdens onze huwelijksreis ___ mijn vrouw en ik ___ Rome uit historische interesse.)

4. L’anno scorso i miei genitori ___ ___ le Cinque Terre per fare una crociera e camminare sul mare.

(Vorig jaar ___ mijn ouders ___ de Cinque Terre om een cruise te maken en langs de kust te wandelen.)

Oefening 3: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 4: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. 1. Stai in ufficio e parli con una collega italiana dei piani per l’estate. Lei ti chiede se vai in vacanza quest’anno. Rispondi e spiega dove vai e cosa vuoi fare. (Usa: andare in vacanza, la destinazione, rilassato)

(1. Je bent op kantoor en praat met een Italiaanse collega over de plannen voor de zomer. Zij vraagt of je dit jaar op vakantie gaat. Beantwoord en leg uit waar je naartoe gaat en wat je wilt doen. (Gebruik: andare in vacanza, la destinazione, rilassato))

Quest’estate voglio  

(Deze zomer wil ik ...)

Voorbeeld:

Quest’estate voglio andare in vacanza al mare, in Puglia. La destinazione è tranquilla e io voglio essere rilassato, senza troppo turismo.

(Deze zomer wil ik andare in vacanza aan zee, in Puglia. La destinazione is rustig en ik wil rilassato zijn, zonder te veel toerisme.)

2. 2. Telefoni a un’agenzia di viaggi per informarti su un volo per la Sicilia. Chiedi informazioni sul volo e sulla possibilità di visitare anche un’isola vicina. (Usa: il volo, l’agenzia di viaggi, visitare)

(2. Je belt een reisbureau om informatie te vragen over een vlucht naar Sicilië. Vraag informatie over de vlucht en over de mogelijkheid om ook een nabijgelegen eiland te bezoeken. (Gebruik: il volo, l'agenzia di viaggi, visitare))

Vorrei informazioni su  

(Ik zou graag informatie willen over ...)

Voorbeeld:

Vorrei informazioni sul volo per Catania, per favore. È diretto o c’è uno scalo? E vorrei sapere se l’agenzia di viaggi può aiutarmi a visitare un’isola vicina durante la vacanza.

(Ik zou graag informatie willen over il volo naar Catania, alstublieft. Is het een directe vlucht of is er een tussenstop? En ik wil weten of l'agenzia di viaggi mij kan helpen om tijdens de vakantie een nabijgelegen eiland te visitare.)

3. 3. Sei in un appartamento affittato al mare con amici. Domani andate in spiaggia e tu devi dire cosa metti in valigia per la giornata. (Usa: la spiaggia, fare la valigia, il mare)

(3. Je bent in een gehuurd appartement aan zee met vrienden. Morgen gaan jullie naar het strand en jij moet zeggen wat je inpakt voor de dag. (Gebruik: la spiaggia, fare la valigia, il mare))

Per domani voglio  

(Voor morgen wil ik ...)

Voorbeeld:

Per domani voglio fare la valigia con le cose per la spiaggia: il costume, l’asciugamano, la crema solare e un libro. Così posso stare al mare tutto il giorno e rilassarmi.

(Voor morgen wil ik fare la valigia met spullen voor la spiaggia: het badpak of zwembroek, de handdoek, zonnebrandcrème en een boek. Zo kan ik de hele dag bij il mare blijven en ontspannen.)

4. 4. Un collega italiano ti chiede che tipo di vacanza preferisci: la montagna o una crociera. Rispondi, spiega la tua scelta e parla un po’ dell’itinerario ideale. (Usa: la montagna, la crociera, l’itinerario)

(4. Een Italiaanse collega vraagt welk soort vakantie je liever hebt: de bergen of een cruise. Antwoord, leg je keuze uit en vertel kort over het ideale reisplan. (Gebruik: la montagna, la crociera, l'itinerario))

Di solito preferisco  

(Meestal geef ik de voorkeur aan ...)

Voorbeeld:

Di solito preferisco la montagna, perché mi piace camminare e stare nella natura. Il mio itinerario ideale è una settimana in un piccolo albergo in Trentino, con passeggiate al mattino e relax al pomeriggio.

(Meestal geef ik de voorkeur aan la montagna, omdat ik graag wandel en van de natuur houd. Mijn ideale l'itinerario is een week in een klein hotel in Trentino, met wandelingen in de ochtend en ontspanning in de middag.)

Oefening 5: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 6 of 8 zinnen om je volgende vakantie te beschrijven: waar je naartoe wilt, welk vervoermiddel je gebruikt en wat je daar wilt doen.

Nuttige uitdrukkingen:

Voglio andare in vacanza a… / Scelgo questa destinazione perché… / Per arrivare prendo… / In vacanza mi piace…

Esercizio 6: Gespreksoefening

Istruzione:

  1. Che tipo di vacanza vedi in ogni immagine? (Welk type vakantie zie je op elke foto?)
  2. Quale mezzo di trasporto userai per viaggiare e perché? (Welke vervoersmiddel ga je gebruiken om te reizen en waarom?)
  3. Quanto durerà la tua prossima vacanza? (Hoe lang duurt je volgende vakantie?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Sto andando in Italia per un viaggio in città.

Ik ga naar Italië voor een stedentrip.

Sto andando in campeggio con la mia famiglia in montagna.

Ik ga met mijn familie kamperen in de bergen.

Viaggerò in treno invece di prendere l'aereo.

Ik reis met de trein in plaats van met het vliegtuig te gaan.

Vado a Maiorca per visitare i musei.

Ik ga naar Mallorca om musea te bezoeken.

Stiamo portando il camper in un viaggio di famiglia.

We nemen de camper mee op een familietocht.

Sto viaggiando in giro per il mondo per sei mesi.

Ik reis zes maanden rond de wereld.

Andiamo in un villaggio turistico sulla spiaggia in Tunisia.

We gaan naar een strandresort in Tunesië.

Andrò in crociera a maggio.

Ik ga in mei op een cruise.

...