Il trapassato prossimo si usa per un'azione accaduta prima di un'altra nel passato.

(De trapassato prossimo wordt gebruikt voor een handeling die plaatsvond vóór een andere handeling in het verleden.)

Wat is het trapassato prossimo?

  • Betekenis: het Italiaanse trapassato prossimo = onze voltooid verleden tijd ("ik had gedaan").
  • Je gebruikt het voor een actie die al klaar was vóór een andere actie in het verleden.

Voorbeeld

  • Quando sono arrivato, lui aveva salvato il file.
    = Toen ik aankwam, had hij het bestand al opgeslagen.

Let op de volgorde:

  1. 1e verleden actie (eerder): trapassato prossimo
  2. 2e verleden actie (later): meestal passato prossimo of imperfetto

Hoe vorm je het trapassato prossimo?

Basisregel

  • Imperfetto van avere/essere + participio passato
Persoon met salvare (avere) met andare (essere)
ioavevo salvatoero andato/a
tuavevi salvatoeri andato/a
lui/leiaveva salvatoera andato/a
noiavevamo salvatoeravamo andati/e
voiavevate salvatoeravate andati/e
loroavevano salvatoerano andati/e

Zelfcheck

  • Zie je een vorm op -vo, -vi, -va, -vamo, -vate, -vano? Dan heb je het imperfetto van avere/essere.
  • Staat daarachter een participio passato (bijv. salvato, andato)? Dan zit je qua vorm goed.

Wanneer gebruik je avere en wanneer essere?

Net als bij het passato prossimo:

  • avere met de meeste transitieve werkwoorden (met lijdend voorwerp)
    salvare un file, spiegare la situazione, chiamare la polizia
    avevo salvato, avevo spiegato, avevamo chiamato
  • essere met veel bewegings- en staatwerkwoorden
    andare, arrivare, partire, entrare, uscire, tornare, rimanere, essere
    ero andato, era arrivato, era partito

Typische fouten

  • *Avevamo andato in banca.*
    Eravamo andati in banca.
  • *Ero spiegato la situazione.*
    Avevo spiegato la situazione.

Let op bij essere: overeenstemming van het voltooid deelwoord

Met essere verandert het participio passato mee met persoon en geslacht.

Persoon andare (mannelijk) andare (vrouwelijk)
ioero andatoero andata
tueri andatoeri andata
lui / leiera andatoera andata
noieravamo andatieravamo andate
voieravate andatieravate andate
loroerano andatierano andate

Snelle tip

  • Praat je over een groep met minstens één man? Gebruik -i (andati).
  • Alleen vrouwen? Gebruik -e (andate).

Tijdslijn: welke actie krijgt het trapassato?

Denk in een eenvoudige tijdslijn.

  1. Actie A: eerder in het verleden → trapassato prossimo
  2. Actie B: later in het verleden → meestal passato prossimo

Voorbeelden

  • Quando siamo arrivati, l’ambulanza aveva già soccorso la vittima.
    A: de ambulance had het slachtoffer al geholpen → aveva soccorso
    B: wij kwamen aan → siamo arrivati
  • Non ho trovato il file perché Marco lo aveva cancellato.
    A: Marco had het bestand gewist → lo aveva cancellato
    B: ik vond het bestand niet → non ho trovato

Zelfcheckvraag

  • Vraag jezelf: "Welke actie was al klaar, vóór de andere?" → die krijgt het trapassato prossimo.

Typische verwarring: twee keer verleden tijd

Vaak heb je in één zin twee verschillende verleden tijden.

  • Combinatie 1: trapassato + passato prossimo
    Avevo già spiegato la situazione quando la polizia è arrivata.
  • Combinatie 2: trapassato + imperfetto
    Quando è arrivata la polizia, la gente aveva già lasciato la casa e aspettava fuori.
    aveva lasciato (eerder klaar), aspettava (beschrijving/situatie)

Veelgemaakte fouten

  • *Avevamo chiamato la polizia quando era arrivato il medico.*
    Avevamo chiamato la polizia quando il medico è arrivato.
    (de komst van de dokter is de "tweede" actie → passato prossimo)

Signaalwoorden die vaak bij het trapassato horen

  • già – al
    • Quando sono arrivato, lui aveva già salvato il documento.
  • ancora non / non ... ancora – nog niet
    • Quando è arrivata l’ambulanza, io non avevo ancora chiamato i miei genitori.
  • appena – net, zojuist
    • L’ambulanza era appena partita quando il medico è arrivato.

Stap-voor-stap: zo vorm je zelf een zin

  1. Bedenk twee acties in het verleden.
    Schrijf ze eerst in eenvoudig Italiaans (bijv. in het presente).
  2. Bepaal welke actie eerder was.
    Die krijgt het trapassato prossimo.
  3. Kies avere of essere voor die eerdere actie.
    • Transitief? → meestal avere.
    • Beweging / staat? → vaak essere.
  4. Zet het hulpwerkwoord in de juiste imperfetto-vorm.
    • avevo, avevi, aveva, avevamo, avevate, avevano
    • ero, eri, era, eravamo, eravate, erano
  5. Voeg het participio passato toe.
    • bij essere → pas de uitgang aan: -o/-a/-i/-e
  6. Zet de latere actie in het passato prossimo of imperfetto.

Korte oefenvraag voor jezelf

  • Maak van: "arrivare la polizia" en "tu spiegare la situazione" één zin met trapassato + passato prossimo.
    Mogelijk antwoord: Quando la polizia è arrivata, tu avevi già spiegato la situazione.

Samenvatting: waar moet je vooral op letten?

  • Gebruik het trapassato prossimo alleen als je twee momenten in het verleden vergelijkt.
  • De eerste (vroegere) actie → imperfetto van avere/essere + participio passato.
  • Zelfde hulpwerkwoord als bij het passato prossimo van hetzelfde werkwoord.
  • Met essere moet het participio passato overeenkomen (m/v, ev/mv).
  • Let op signaalwoorden als già, ancora non, appena.

Als je deze punten stap voor stap controleert, kun je het trapassato prossimo zelfstandig correct gebruiken.

  1. Net als bij de passato prossimo wordt het hulpwerkwoord 'avere' gebruikt met transitieve werkwoorden, terwijl het hulpwerkwoord 'essere' wordt gebruikt met werkwoorden van beweging of toestand.
  2. De trapassato prossimo wordt gevormd met de imperfetto van 'avere'/'essere' + het voltooid deelwoord van het werkwoord.
Verbo salvare (Werkwoord redden)Verbo andare (Werkwoord gaan)
Io avevo salvatoIo ero andato
Tu avevi salvatoTu eri andato
Lui / lei aveva salvato/aLui / lei era andato/a
Noi avevamo salvatoNoi eravamo andati
Voi avevate salvatoVoi eravate andati
Loro avevano salvatoLoro erano andati

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Quando l'ambulanza è arrivata, il paramedico ___ già controllato il tuo respiro.

Toen de ambulance aankwam, had de ambulancebroeder ___ al je ademhaling gecontroleerd.)

2. Quando i pompieri sono entrati nell'edificio, noi ___ già usciti con calma.

Toen de brandweerlieden het gebouw binnenkwamen, waren wij ___ al rustig naar buiten gegaan.)

3. ___ già chiamato la polizia prima che il fuoco iniziasse nel garage.

___ al de politie gebeld voordat het vuur in de garage begon.)

4. Quando sei arrivato in pronto soccorso, noi ___ già preparato il kit di primo soccorso.

Toen je op de eerste hulp aankwam, hadden wij ___ al de verbandtrommel klaargelegd.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin die gebruikmaakt van de voltooid verleden tijd (trapassato prossimo), met het juiste hulpwerkwoord en de correcte werkwoordsvorm, in noodsituaties.

1.
De tweede actie moet in de voltooid tegenwoordige tijd (passato prossimo) staan, niet in de voltooid verleden tijd, om de tijdsvolgorde te respecteren.
Fout in het gebruik van het hulpwerkwoord 'zijn' bij het transitieve werkwoord 'bellen'.
2.
Fout in werkwoordstijd: 'was aan het bellen' is onvoltooid verleden tijd; hier is voltooid tegenwoordige tijd vereist.
Fout: het werkwoord 'arrivare' vereist het hulpwerkwoord 'zijn', niet 'hebben'.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met behulp van de voltooid verleden tijd om een handeling aan te geven die eerder heeft plaatsgevonden dan een andere in het verleden.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Quando sono arrivato in ufficio, lui salva già il documento.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Quando sono arrivato in ufficio, lui aveva già salvato il documento.
    (Quando sono arrivato in ufficio, lui aveva già salvato il documento.)
  2. Quando siamo usciti di casa, il treno va già via.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Quando siamo usciti di casa, il treno era già andato via.
    (Quando siamo usciti di casa, il treno era già andato via.)
  3. Quando ho aperto il file, noi non salviamo il lavoro.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Quando ho aperto il file, noi non avevamo salvato il lavoro.
    (Quando ho aperto il file, noi non avevamo salvato il lavoro.)
  4. Quando ho chiamato Anna, lei è già andata in banca.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Quando ho chiamato Anna, lei era già andata in banca.
    (Quando ho chiamato Anna, lei era già andata in banca.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Vertel in tweetallen over twee gebeurtenissen uit het verleden en vergelijk wat er eerder gebeurd was.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Racconti a un'amica un'emergenza passata e come siete stati aiutati.
(Je vertelt aan een vriendin over een noodsituatie uit het verleden en hoe jullie geholpen werden.)

Bespreek
  • Quale azione avevi già fatto prima dell'arrivo dei soccorsi? (Welke handeling had je al verricht voordat de hulpdiensten arriveerden?)
  • Cosa era successo alla scena prima che arrivassero i pompieri o l'ambulanza? (Wat was er op de plaats van het incident gebeurd voordat de brandweer of de ambulance arriveerde?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Avevo già chiamato la polizia. (Ik had de politie al gebeld.)
  • L'ambulanza era già arrivata quando... (De ambulance was al aangekomen toen...)
  • Avevamo avuto paura prima di essere salvati. (We waren bang geweest voordat we gered werden.)

Gebruik in gesprek
  • trapassato prossimo con avere (trapassato prossimo met avere)
  • trapassato prossimo con essere (trapassato prossimo met essere)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 04/03/2026 14:20