A2.41: Meningen en onderhandelingen

Opinioni e negoziazioni

Leer het gebruik van het discours indirect met de passato prossimo voor het uitdrukken van meningen en onderhandelingen, met sleutelwoorden zoals "ha convinto" (heeft overtuigd) en "ha rifiutato" (heeft geweigerd).

Woordenschat (15)

 La discussione: De discussie (Italian)

La discussione

Show

De discussie Show

 Il disaccordo: het meningsverschil (Italian)

Il disaccordo

Show

Het meningsverschil Show

 Persuasivo: overtuigend (Italian)

Persuasivo

Show

Overtuigend Show

 Convincente: overtuigend (Italian)

Convincente

Show

Overtuigend Show

 Il compromesso: Het compromis (Italian)

Il compromesso

Show

Het compromis Show

 L'offerta: De aanbieding (Italian)

L'offerta

Show

De aanbieding Show

 La controfferta: de tegenaanbieding (Italian)

La controfferta

Show

De tegenaanbieding Show

 La negoziazione: de onderhandeling (Italian)

La negoziazione

Show

De onderhandeling Show

 Il risultato: het resultaat (Italian)

Il risultato

Show

Het resultaat Show

 Il discorso: De toespraak (Italian)

Il discorso

Show

De toespraak Show

 Avere un'opinione: Een mening hebben (Italian)

Avere un'opinione

Show

Een mening hebben Show

 Condividere un'idea: Een idee delen (Italian)

Condividere un'idea

Show

Een idee delen Show

 Credere (geloven) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Credere

Show

Geloven Show

 Convincere (overtuigen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Convincere

Show

Overtuigen Show

 Rifiutare (weigeren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Rifiutare

Show

Weigeren Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

La negoziazione


De onderhandeling

2

Credere


Geloven

3

La controfferta


De tegenaanbieding

4

Il risultato


Het resultaat

5

Il disaccordo


Het meningsverschil

Oefening 2: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Marco dice che ______ l'offerta perché non era convincente.

(Marco zegt dat hij ______ het aanbod heeft geweigerd omdat het niet overtuigend was.)

2. Giulia pensa che tu ______ convinto tutti con il tuo discorso persuasivo.

(Giulia denkt dat jij ______ iedereen hebt overtuigd met je overtuigende toespraak.)

3. Paolo e Maria dicono che ______ fatto un compromesso durante la negoziazione.

(Paolo en Maria zeggen dat ze ______ een compromis hebben gesloten tijdens de onderhandeling.)

4. Luigi crede che tu ______ parlato con il direttore riguardo all'offerta.

(Luigi gelooft dat jij ______ met de directeur hebt gesproken over het aanbod.)

Oefening 4: Het gesprek over het project

Instructie:

Ieri (Fare - Passato prossimo) partecipato a una negoziazione importante in ufficio. Marco (Convincere - Passato prossimo) (Rifiutare - Passato prossimo) i colleghi con un discorso molto persuasivo. Io invece (Rifiutare - Passato prossimo) (Fare - Passato prossimo) alcune proposte che non mi sembravano giuste. Poi, Giulia e tu (Fare - Passato prossimo) (Credere - Passato prossimo) un compromesso che è stato interessante per tutti. Maria (Credere - Passato prossimo) (No hint) che fosse la soluzione migliore e ha detto che ha ottenuto un ottimo risultato.


Gisteren hebben we deelgenomen aan een belangrijke onderhandeling op kantoor. Marco heeft de collega's overtuigd met een zeer overtuigende toespraak. Ik daarentegen heb enkele voorstellen afgewezen die mij niet goed leken. Daarna hebben Giulia en jij een compromis gesloten dat interessant was voor iedereen. Maria geloofde dat het de beste oplossing was en zei dat ze een uitstekend resultaat had behaald.

Werkwoordschema's

Convincere - Overtuigen

Passato prossimo

  • io ho convinto
  • tu hai convinto
  • lui/lei ha convinto
  • noi abbiamo convinto
  • voi avete convinto
  • loro hanno convinto

Rifiutare - Afwijzen

Passato prossimo

  • io ho rifiutato
  • tu hai rifiutato
  • lui/lei ha rifiutato
  • noi abbiamo rifiutato
  • voi avete rifiutato
  • loro hanno rifiutato

Fare - Doen

Passato prossimo

  • io ho fatto
  • tu hai fatto
  • lui/lei ha fatto
  • noi abbiamo fatto
  • voi avete fatto
  • loro hanno fatto

Credere - Geloven

Passato prossimo

  • io ho creduto
  • tu hai creduto
  • lui/lei ha creduto
  • noi abbiamo creduto
  • voi avete creduto
  • loro hanno creduto

Oefening 5: Il discorso indiretto con il passato prossimo

Instructie: Vul het juiste woord in.

Grammatica: De indirecte rede met de voltooid tegenwoordige tijd

Toon vertaling Toon antwoorden

dice che ha avuto, dice che è stata, dice che ha ottenuto, dice che ha visto, affermano che hanno fatto, dice che ha rifiutato, dice che è stato, pensa che hai convinto

1. Dire che + vedere:
Giulia: ho visto il risultato. Giulia ... il risultato.
(Giulia: ik heb het resultaat gezien. Giulia zegt dat ze het resultaat heeft gezien.)
2. Dire che + ottenere:
Il gruppo: abbiamo ottenuto un buon compromesso. Il gruppo ... un buon compromesso.
(De groep: we hebben een goed compromis bereikt. De groep zegt dat hij een goed compromis heeft bereikt.)
3. Dire che + avere:
Maria: ho avuto una bella idea. Maria ... una bella idea.
(Maria: ik heb een goed idee gehad. Maria zegt dat ze een goed idee gehad heeft.)
4. Dire che + essere:
Giulio: è stata una lunga discussione. Giulio ... una lunga discussione.
(Giulio: het was een lange discussie. Giulio zegt dat het een lange discussie was.)
5. Dire che + rifiutare:
Marco: ho rifiutato la proposta. Marco ... la proposta.
(Marco: ik heb het voorstel afgewezen. Marco zegt dat hij het voorstel heeft afgewezen.)
6. Affermare che + fare:
Giulio e Maria: abbiamo fatto una controfferta! Giulio e Maria ... una controfferta.
(Giulio en Maria: we hebben een tegenbod gedaan! Giulio en Maria beweren dat ze een tegenbod hebben gedaan.)
7. Pensare che + convincere:
Maria: ha convinto tutti. Maria ... tutti con la tua offerta.
(Maria: ze heeft iedereen overtuigd. Maria denkt dat je iedereen hebt overtuigd met je aanbod.)
8. Dire che + essere:
Marco: è stato un buon discorso. Marco ... un buon discorso.
(Marco: het was een goede toespraak. Marco zegt dat het een goede toespraak was.)

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

A2.41.1 Grammatica

Il discorso indiretto con il passato prossimo

De indirecte rede met de voltooid tegenwoordige tijd


Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Rifiutare weigeren

Condizionale presente

Italiaans Nederlands
(io) rifiuterei ik zou weigeren
(tu) rifiuteresti jij zou weigeren
(lui/lei) rifiuterebbe hij/zij zou weigeren
(noi) rifiuteremmo wij zouden weigeren
(voi) rifiutereste jullie zouden weigeren
(loro) rifiuterebbero zij zouden weigeren

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Convincere overtuigen

Passato prossimo

Italiaans Nederlands
(io) ho convinto ik heb overtuigd
(tu) hai convinto jij hebt overtuigd
(lui/lei) ha convinto hij/zij heeft overtuigd
(noi) abbiamo convinto wij hebben overtuigd
(voi) avete convinto jullie hebben overtuigd
(loro) hanno convinto zij hebben overtuigd

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Credere geloven

Passato prossimo

Italiaans Nederlands
(io) ho creduto Ik heb geloofd
(tu) hai creduto jij hebt geloofd
(lui/lei) ha creduto hij/zij heeft geloofd
(noi) abbiamo creduto wij hebben geloofd
(voi) avete creduto jullie hebben geloofd
(loro) hanno creduto zij hebben geloofd

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Italiaans oefenen? Dat is mogelijk! Neem gewoon vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Meningen en onderhandelingen in het Italiaans

Deze les richt zich op hoe je in het Italiaans meningen kunt uiten en onderhandelingen kunt bespreken met behulp van de discorso indiretto (berichtgeving in de indirecte rede) gecombineerd met de passato prossimo (voltooide tijd). Dit is een belangrijk communicatiemiddel om verslag te doen van wat anderen gezegd hebben, zeker in informele en zakelijke situaties.

Belangrijkste leerdoelen

  • Begrijpen en toepassen van de discorso indiretto met de passato prossimo.
  • Woorden en uitdrukkingen gebruiken om meningen te delen, bijvoorbeeld secondo me (volgens mij), credo che (ik geloof dat), pensa che (hij/zij denkt dat).
  • Vocabulaire rondom projecten, onderhandelingen en ervaringen, zoals compromesso (compromis), negoziazione (onderhandeling), rifiutare (weigeren), en convincere (overtuigen).

Voorbeeldzinnen

  • Marco dice che ha risolto tutto molto bene.
    (Marco zegt dat hij alles heel goed heeft opgelost.)
  • Giulia pensa che abbia fatto un compromesso interessante.
    (Giulia denkt dat er een interessant compromis is gesloten.)
  • Fabio dice che ha rifiutato alcune proposte.
    (Fabio zegt dat hij enkele voorstellen heeft geweigerd.)

De voltooid tegenwoordige tijd (passato prossimo) in de indirecte rede

In deze les leer je werken met het passato prossimo in de indirecte rede, bijvoorbeeld bij het overbrengen van andermans uitspraken over gebeurtenissen uit het verleden. De regelmatige vorm is: subject + hulpwerkwoord (avere/essere) in de tegenwoordige tijd + voltooid deelwoord.

Belangrijke werkwoorden en vervoegingen

  • Convincere (overtuigen): io ho convinto, tu hai convinto, lui ha convinto...
  • Rifiutare (weigeren): io ho rifiutato, tu hai rifiutato...
  • Fare (doen/maken): io ho fatto, tu hai fatto...
  • Credere (geloven): io ho creduto, tu hai creduto...

Verschillen tussen het Nederlands en het Italiaans

In het Nederlands gebruiken we vaak de indirecte rede met de aanhaling of met werkwoorden als "zeggen dat" in combinatie met een normale voltooid tegenwoordige tijd. In het Italiaans verandert de werkwoordsvorm vaak wat, vooral bij de combinatie van de discorso indiretto met de passato prossimo. Let op dat in het Italiaans het hulpwerkwoord gewoonlijk in de tegenwoordige tijd staat en het voltooid deelwoord hetzelfde blijft.

Voorbeeld:
Nederlands: Hij zegt dat hij het gedaan heeft.
Italiaans: Dice che ha fatto.

Handige zinnen en woorden

  • Secondo me — volgens mij
  • Penso che — ik denk dat
  • Crede che — hij/zij gelooft dat
  • Dice che — hij/zij zegt dat
  • Abbiamo fatto un compromesso — we hebben een compromis gesloten
  • Ha rifiutato la proposta — hij/zij heeft het voorstel geweigerd

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏