Sono espressioni per indicare la posizione di qualcosa o qualcuno in relazione ad un altro oggetto o persona.

(Het zijn uitdrukkingen om de positie van iets of iemand aan te geven in relatie tot een ander object of persoon.)

1. Wat leer je in dit hoofdstuk?

  • Uitleg van uitdrukkingen van plaats: accanto a, davanti a, dentro, dietro, fino a, di fianco a, fuori da, lontano da, lungo, sotto, sopra.
  • Hoe deze combineren met een lidwoord: a/da + il, lo, la, l’, i, gli, le.
  • Wanneer je wel en niet een samengestelde prepositie (preposizione articolata) gebruikt, zoals al, allo, alla, ai, agli, alle / dal, dallo, dalla, dai, dagli, dalle.

2. De basis: uitdrukking van plaats + a of da

Veel van deze uitdrukkingen hebben dezelfde structuur:

  • espressione di luogo + a + zelfstandig naamwoord
  • espressione di luogo + da + zelfstandig naamwoord

Belangrijke combinaties:

  • accanto a = naast
  • di fianco a = aan de zijkant van, naast
  • davanti a = voor (er tegenover)
  • fino a = tot (aan)
  • lontano da = ver van
  • fuori da = buiten

Bij deze uitdrukkingen verandert a of da als er een lidwoord achter komt.

3. Wanneer wordt a of da samengevoegd?

In het Italiaans smelten a en da samen met een bepaald lidwoord. Dat zijn de vormen die je in de tabel ziet: al, allo, alla … dal, dallo, dalla …

Enkelvoud Meervoud Voorbeeld
a + il = al a + i = ai accanto al cappotto
a + lo = allo a + gli = agli davanti allo specchio
a + la = alla a + le = alle fino alla vetrina
da + il = dal da + i = dai lontano dal centro
da + lo = dallo da + gli = dagli lontano dallo stadio
da + la = dalla da + le = dalle fuori dalla borsa

Belangrijk: je schrijft a ilal, da ladalla, enzovoort.

4. Welke uitdrukkingen verplichten een samengesteld voorzetsel?

In je hoofdstuk zie je zinnen als:

  • La sciarpa è accanto al cappotto.
  • Le mutande sono dentro al cassetto.
  • Le calze sono fuori dalla borsa.

Let op deze patronen:

  • accanto a + lidwoord → accanto al / allo / alla …
  • di fianco a + lidwoord → di fianco al / alla …
  • davanti a + lidwoord → davanti allo / alla …
  • dentro + a + lidwoord → dentro al / allo / alla …
  • fino a + lidwoord → fino al / alla …
  • fuori da + lidwoord → fuori dal / dallo / dalla …
  • lontano da + lidwoord → lontano dal / dallo / dalla …

Bij deze combinaties is a+lidwoord of da+lidwoord normaal. Losse vormen als accanto il, dentro la, fuori da la klinken voor Italianen onnatuurlijk of fout.

5. Wanneer gebruik je géén samengesteld voorzetsel?

Er zijn twee veelvoorkomende situaties waar studenten onzeker over zijn.

  • 1. Zonder zelfstandig naamwoord (alleen een bijwoord)
    • La giacca è dietro. = De jas is erachter.
    • La sciarpa è sopra. = De sjaal ligt erbovenop.
    • Hier staat géén woord erna, dus ook geen lidwoord en geen samenvoeging.
  • 2. Bij dentro en fuori zonder a/da (spreektaal)

In hedendaags Italiaans hoor je ook:

  • La camicia è dentro il guardaroba.
  • Le scarpe sono fuori la scatola.

Maar: voor jou als A2-leerder is het veiliger om de vorm uit je boek te gebruiken:

  • dentro al guardaroba
  • fuori dalla scatola

Dat is duidelijk, systematisch en goed voor examens.

6. Stap-voor-stap: zo bouw je de uitdrukking op

  1. Kies de plaatsuitdrukking
    • Naast? → accanto a
    • Voor (er tegenover)? → davanti a
    • Binnenin? → dentro (+ a)
    • Buiten? → fuori da
    • Tot aan? → fino a
    • Ver van? → lontano da
  2. Bepaal het Italiaanse lidwoord van het zelfstandig naamwoord.
    • masculien: il cappotto, lo specchio, i cappotti, gli specchi
    • feminien: la borsa, le borse
  3. Voeg samen: a/da + lidwoord → één woord.
    • a + ilal
    • a + loallo
    • a + laalla
    • da + ladalla
  4. Zet alles bij elkaar in de zin
    • La sciarpa è accanto al cappotto.
    • Le calze sono fuori dalla borsa.

7. Typische fouten (en hoe je ze vermijdt)

  • Fout 1: geen samenvoeging gebruiken
    • accanto il cappelloaccanto al cappello
    • davanti a lo specchiodavanti allo specchio
    • fuori da la borsafuori dalla borsa
  • Fout 2: verkeerd lidwoord kiezen
    • davanti alla specchiodavanti allo specchio (specchio is mannelijk, enkelvoud → lo)
    • accanto allo cappelloaccanto al cappello (cappello gebruikt il)
  • Fout 3: twee voorzetsels maken waar één genoeg is
    • fuori dalla il borsafuori dalla borsa

8. Snelle vergelijkingen: wat betekent het precies?

Italiaans Letterlijk Praktisch Nederlands
accanto a / di fianco a aan de kant van naast
davanti a aan de voorkant van voor, er tegenover
dietro aan de achterkant achter
dentro binnenin in, binnen
fuori (di/da) buiten buiten
sotto / sopra onder / boven onder / op, boven
lontano da ver weg van ver van
fino a tot aan tot (aan)
lungo langs de lengte van langs

9. Mini-check: begrijp je het systeem?

Beantwoord voor jezelf, zonder boek:

  1. Hoe maak je de combinatie met cappotto (mannelijk, enkelvoud)?
    • accanto … cappottoaccanto al cappotto
    • fuori … cappotto → meestal niet logisch, maar vorm zou zijn: fuori dal cappotto
  2. Hoe zeg je: “De schoenen zijn ver van het station”?
    • Le scarpe sono lontano dalla stazione.
  3. Hoe zeg je: “Ik loop tot aan de winkelruit”?
    • Cammino fino alla vetrina del negozio.

Als je deze drie vragen kunt beantwoorden, heb je het principe van de samengestelde voorzetsels met plaatsaanduidingen begrepen.

10. Waar let je vooral op bij het spreken?

  • Denk eerst aan het lidwoord (il, lo, la, i, gli, le).
  • Combineer dan met a of daal, allo, alla … / dal, dallo, dalla ….
  • Gebruik bij deze uitdrukkingen bijna altijd de samengestelde vorm als er een zelfstandig naamwoord volgt.
  • Accepteer dat je soms varianten hoort (dentro il, fuori la), maar houd je voor nu aan de duidelijke vormen uit je boek.

Met deze stappen kun je zelfstandig zinnen maken als:

  • La cravatta è dentro al cassetto.
  • La sala riunioni è lontano dagli ascensori.
  • Le scarpe sono sotto la sedia.

Als dit soort zinnen lukt, ben je klaar om in de les te oefenen met spreken en luisteren, zonder nog veel regels te hoeven bespreken.

  1. De voorzetsels 'a' en 'da' voegen zich samen met het lidwoord van het zelfstandig naamwoord en vormen zo een samengesteld voorzetsel.
Espressione (Uitdrukking)Uso (Gebruik)Esempio (Voorbeeld)
Accanto a (Naast)Vicino a qualcosa o qualcuno (Dicht bij iets of iemand)La sciarpa è accanto al cappotto.
Davanti a (Voor, voor iets of iemand)Di fronte a qualcosa o qualcuno (Tegenover iets of iemand)Il vestito è davanti allo specchio.
Dentro (Binnen, erin)All’interno di un luogo o contenitore (In het binnenste van een plaats of een container)Le mutande sono dentro al cassetto.
Dietro (Achter)Nella parte posteriore (In het achterste deel)La giacca è dietro la porta.
Fino a (Tot aan)Indica limite o termine spaziale (Geeft een ruimtelijke grens of einde aan)Cammino fino alla vetrina del negozio.
Di fianco a (Naast, aan de zijkant van)Accanto lateralmente (Ernaast, aan de zijkant)La cravatta è di fianco al gilè.
Fuori (di/da) (Buiten)All'esterno di un luogo o contenitore (Aan de buitenkant van een plaats of container)Le calze sono fuori dalla borsa.
Lontano da (Ver van)A distanza da qualcosa o qualcuno (Op afstand van iets of iemand)Il negozio è lontano dalla piazza.
Lungo (Langs)In direzione estesa su una linea o spazio (In een uitgestrekte richting over een lijn of ruimte)Il completo è appeso lungo la parete.
Sotto / sopra (Onder / boven)Posizione inferiore o superiore rispetto a qualcosa (Een lagere of hogere positie ten opzichte van iets)Il reggiseno è sotto la camicia, la sciarpa sopra.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Le cravatte eleganti sono ___ completi blu, vicino allo specchio grande.

Le cravatte eleganti sono ___ completi blu, vicino allo specchio grande.)

2. La mia borsa è ___ zaino, quindi non posso prendere il portafoglio adesso.

La mia borsa è ___ zaino, quindi non posso prendere il portafoglio adesso.)

3. Metti la sciarpa ___ cappotto, non dietro la sedia; così si vede meglio il tuo stile.

Metti la sciarpa ___ cappotto, non dietro la sedia; cosí si vede meglio il tuo stile.)

4. Le scarpe sporche lasciale ___ cabina armadio, lontano dai vestiti puliti.

Le scarpe sporche lasciale ___ cabina armadio, lontano dai vestiti puliti.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin waarin de plaatsuitdrukkingen met samengestelde voorzetsels correct worden gebruikt.

1.
Verkeerd voorzetsel: het moet 'in de' zijn, niet 'binnen van de'.
Het samengestelde voorzetsel ontbreekt; 'binnen' vereist hier een andere constructie en 'binnen de' is niet correct voor deze betekenis.
2.
Het lidwoord ontbreekt: het moet 'naast de' zijn, niet alleen 'naast'.
Fout in het lidwoord: 'hoed' is een de-woord, dus het lidwoord moet 'de' zijn, niet 'het'.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met gebruik van plaatsaanduidende uitdrukkingen (naast, naast, voor, achter, binnen, buiten, onder, boven, tot, ver van, langs) en, indien nodig, de juiste samengestelde voorzetselvorm.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (davanti a) Le scarpe sono vicino alla porta.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Le scarpe sono davanti alla porta.
    (De schoenen staan voor de deur.)
  2. Hint Hint (accanto a) Il cappotto è vicino alla giacca.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Il cappotto è accanto alla giacca.
    (De jas hangt naast het jasje.)
  3. Hint Hint (sopra) Il computer è sulla scrivania.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Il computer è sopra la scrivania.
    (De computer staat bovenop het bureau.)
  4. Hint Hint (lontano da) La metro è distante dalla mia casa.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    La metro è lontana da casa mia.
    (De metro is ver van mijn huis.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Werk in tweetallen: beschrijf mondeling waar de voorwerpen zich bevinden met behulp van plaatsaanduidingen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Aiuti un collega straniero a trovare capi e accessori in un negozio di abbigliamento.
(Je helpt een buitenlandse collega kleding en accessoires te vinden in een kledingwinkel.)

Bespreek
  • Dove sono il completo elegante e il vestito informale nel negozio? (Waar liggen het nette pak en de informele jurk in de winkel?)
  • Descrivi dove sono le sciarpe, le cravatte e le calze; poi consiglia un accessorio per un incontro di lavoro. (Usa frasi semplici e complete.) (Beschrijf waar de sjaals, dassen en sokken liggen; raad daarna een accessoire aan voor een zakelijke afspraak. (Gebruik korte, volledige zinnen.))

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • La sciarpa è accanto al completo. (De sjaal ligt naast het pak.)
  • La cravatta è davanti alle camicie eleganti. (De das ligt voor de nette overhemden.)
  • Le calze sono dentro al pacchetto, non fuori dalla borsa. (De sokken zitten in het pakje, niet buiten de tas.)

Gebruik in gesprek
  • accanto a / di fianco a / davanti a (naast / aan de zijkant van / voor)
  • dentro / fuori (da) / sotto / sopra (binnen / buiten (van) / onder / boven)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 05/03/2026 21:11