Leer hoe je acties uit het verleden indirect meldt met de formule: werkwoord + 'che' + passato prossimo, bijvoorbeeld: 'dice che è stato', 'pensa che ha convinto'.
  1. De formule is: werkwoord + che + passato prossimo.
Azione passata (Verleden handeling)Frase indiretta (Onmiddellijke rede)
Marco dice: "Sono stato al mercato." (Marco zegt dat hij geweest is op de markt.)Marco dice che è stato al mercato. (Marco zegt dat hij is geweest op de markt.)
Giulia pensa: "Ha convinto tutti." (Giulia denkt dat je iedereen hebt overtuigd.)Giulia pensa che hai convinto tutti. (Giulia denkt dat je iedereen hebt overtuigd.)
Fabio dice: "Ho rifiutato l'offerta." (Fabio zegt dat hij het aanbod heeft afgewezen.)Fabio dice che ha rifiutato l'offerta. (Fabio zegt dat hij het aanbod heeft afgewezen.)
Paolo e Maria dicono: "Abbiamo fatto un compromesso." (Paolo en Maria zeggen dat ze een compromis hebben gesloten.)Paolo e Maria dicono che hanno fatto un compromesso. (Paolo en Maria zeggen dat ze een compromis hebben gesloten.)

Oefening 1: Il discorso indiretto con il passato prossimo

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

dice che ha avuto, dice che è stata, dice che ha ottenuto, dice che ha visto, affermano che hanno fatto, dice che ha rifiutato, dice che è stato, pensa che hai convinto

1. Dire che + vedere:
Giulia: ho visto il risultato. Giulia ... il risultato.
(Giulia: ik heb het resultaat gezien. Giulia zegt dat ze het resultaat heeft gezien.)
2. Dire che + ottenere:
Il gruppo: abbiamo ottenuto un buon compromesso. Il gruppo ... un buon compromesso.
(De groep: we hebben een goed compromis bereikt. De groep zegt dat hij een goed compromis heeft bereikt.)
3. Dire che + avere:
Maria: ho avuto una bella idea. Maria ... una bella idea.
(Maria: ik heb een goed idee gehad. Maria zegt dat ze een goed idee gehad heeft.)
4. Dire che + essere:
Giulio: è stata una lunga discussione. Giulio ... una lunga discussione.
(Giulio: het was een lange discussie. Giulio zegt dat het een lange discussie was.)
5. Dire che + rifiutare:
Marco: ho rifiutato la proposta. Marco ... la proposta.
(Marco: ik heb het voorstel afgewezen. Marco zegt dat hij het voorstel heeft afgewezen.)
6. Affermare che + fare:
Giulio e Maria: abbiamo fatto una controfferta! Giulio e Maria ... una controfferta.
(Giulio en Maria: we hebben een tegenbod gedaan! Giulio en Maria beweren dat ze een tegenbod hebben gedaan.)
7. Pensare che + convincere:
Maria: ha convinto tutti. Maria ... tutti con la tua offerta.
(Maria: ze heeft iedereen overtuigd. Maria denkt dat je iedereen hebt overtuigd met je aanbod.)
8. Dire che + essere:
Marco: è stato un buon discorso. Marco ... un buon discorso.
(Marco: het was een goede toespraak. Marco zegt dat het een goede toespraak was.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin met de indirecte rede in de voltooid tegenwoordige tijd om meningen uit te drukken of informatie uit het verleden weer te geven.

1.
Fout: de onvoltooid verleden tijd is gebruikt in plaats van de voltooid tegenwoordige tijd, die nodig is in deze constructie.
Hoewel grammaticaal correct, is de toevoeging van 'gisteren' overbodig voor deze gerichte oefening.
2.
Veelgemaakte fout: gebruik van tweede persoon enkelvoud 'je hebt' in plaats van derde persoon enkelvoud 'ze heeft'.
Fout: het hulpwerkwoord 'heeft' ontbreekt, noodzakelijk voor de voltooid tegenwoordige tijd.
3.
Fout: gebruik van het infinitief 'weigeren' in plaats van het voltooid deelwoord 'geweigerd'.
Fout: 'weigert' is een tegenwoordige tijd, geen voltooid deelwoord.
4.
Fout: gebruik van de infinitief 'maken' in plaats van het voltooid deelwoord 'gesloten'.
Fout: gebruik van tweede persoon meervoud 'jullie hebben' in plaats van derde persoon meervoud 'ze hebben'.

Inleiding tot het indirecte spreken met de passato prossimo

Deze les behandelt het gebruik van het discorso indiretto (indirecte rede) met het passato prossimo in het Italiaans. Het is een belangrijke constructie om gebeurtenissen of uitspraken die in het verleden plaatsvonden, op een correcte manier door te geven.

Wat leer je in deze les?

  • De structuur: persoonlijke werkwoordsvorm + che + passato prossimo
  • Voorbeelden van zinnen waarin mensen iets rapporteren of meningen geven over een handeling in het verleden
  • Belangrijke werkwoorden en uitdrukkingen die vaak voorkomen in deze context

Voorbeelden uit de les

Azione passataFrase indiretta
Marco dice: "Sono stato al mercato."Marco dice che è stato al mercato.
Giulia pensa: "Ha convinto tutti."Giulia pensa che ha convinto tutti.
Fabio dice: "Ho rifiutato l'offerta."Fabio dice che ha rifiutato l'offerta.
Paolo e Maria dicono: "Abbiamo fatto un compromesso."Paolo e Maria dicono che hanno fatto un compromesso.

De formule worden gebruikt als je wilt aangeven dat iets dat iemand zei of dacht, in de verleden tijd plaatsvond. Dit kan bijvoorbeeld een verslag van een gebeurtenis zijn of het delen van een mening over iets dat voorbij is.

Belangrijke aandachtspunten

De hoofdregel is enkelvoud of meervoud van het werkwoord dire of pensare, gevolgd door che en daarna de passato prossimo. Let op de juiste vervoeging van het hulpwerkwoord (essere of avere) en het voltooid deelwoord.

Nuttige woorden en uitdrukkingen

  • Dire che... – zeggen dat...
  • Pensare che... – denken dat...
  • Passato prossimo – de voltooid tegenwoordige tijd, gevormd met essere of avere + voltooid deelwoord

Verschillen en overeenkomsten met het Nederlands

In het Italiaans wordt het indirekte discours met de passato prossimo opgebouwd met een verbindingswoord "che", gelijk aan het Nederlandse "dat". Het belangrijkste verschil is dat je in het Italiaans het passato prossimo gebruikt om gebeurtenissen in het verleden aan te duiden in de indirecte rede, en de vervoeging van het werkwoord en het hulpwerkwoord nauwkeurig moet kloppen met de tijd en het onderwerp.

In het Nederlands is het indirecte spreken vaak eenvoudiger en worden minder complexe tijden gebruikt, hoewel je soms ook de voltooid tegenwoordige tijd gebruikt, bijvoorbeeld:

  • Marco zegt dat hij op de markt is geweest.
  • Giulia denkt dat ze iedereen heeft overtuigd.

Een paar handige Italiaanse uitdrukkingen met hun Nederlandse tegenhangers:

  • Dire che... – zeggen dat...
  • Pensare che... – denken dat...
  • È stato – is geweest
  • Ha convinto – heeft overtuigd
  • Ha rifiutato – heeft geweigerd
  • Abbiamo fatto – wij hebben gedaan/gemaakt (bijvoorbeeld een compromis)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 28/08/2025 18:36