De indirecte rede met de passato prossimo

Il discorso indiretto con il passato prossimo


Si usa per riportare qualcosa avvenuta del passato.

(Je gebruikt dit om iets te vertellen dat in het verleden is gebeurd.)

Wanneer gebruik je dit?

Je gebruikt de indirecte rede om te vertellen wat iemand zei/dacht/schreef, zonder de exacte quote.

  • Direct: Marco: “Sono stato al mercato.”
  • Indirect: Marco dice che è stato al mercato.

In deze les gaat het om: een afgeronde actie in het verleden → je gebruikt in de bijzin vaak het passato prossimo.

Basisformule (woordvolgorde)

Onthoud dit als een blokje:

  • zeg-/denk-/schrijf-werkwoord + che + passato prossimo
Stap Wat vul je in? Voorbeeld
1 Werkwoord van “rapporteren” dice / pensa / scrive / spiega
2 che che
3 Passato prossimo ha rifiutato / hanno fatto / è stato

Passato prossimo: kies het juiste hulpwerkwoord

De grootste valkuil zit niet in che, maar in avere vs essere.

  • avere + voltooid deelwoord: de meeste werkwoorden
    ha rifiutato, hanno convinto, abbiamo fatto
  • essere + voltooid deelwoord: o.a. beweging/toestand (zoals andare, venire, essere, arrivare)
    è stato, siamo arrivati

Let op: met essere past het voltooid deelwoord zich aan aan het onderwerp:

  • lui: è stato
  • lei: è stata
  • loro (m./gemengd): sono stati
  • loro (v.): sono state

Wat gebeurt er met personen en voornaamwoorden?

In indirecte rede verandert het perspectief vaak. Vraag jezelf: wie is “ik” in de originele zin?

Directe rede Indirecte rede Waarom?
Giulia: “Ho rifiutato l’offerta.” Giulia dice che ha rifiutato l’offerta. “Ik” = Giulia → 3e persoon
Marco: “Sono stato…” Marco dice che è stato… “Ik” = Marco
(tegen jou) “Hai firmato?” Lui pensa che tu abbia firmato… Onderwerp blijft “tu”

Veelgemaakte fouten (en snelle fixes)

  • Geen infinitief na “che”
    Dice che ha rifiutareDice che ha rifiutato
  • Niet ineens de tegenwoordige tijd als het echt “afgerond verleden” is
    Dice che rifiuta l’offertaDice che ha rifiutato l’offerta
  • Onderwerp/werkwoord moeten matchen
    Paolo e Maria dice che ha fattoPaolo e Maria dicono che hanno fatto
  • Essere: akkoord met persoon/geslacht/meervoud
    Lei dice che è statoLei dice che è stata

Let op bij “pensa che”: indicativo of congiuntivo?

In het Italiaans staat na pensa che vaak de congiuntivo (mening/onzekerheid). In deze les zie je dat ook:

  • pensa che tu sia stato molto convincente

Praktische vuistregel voor A2:

  • Bij dire/scrivere/spiegare (feitelijk rapporteren) → vaak indicativo: dice che ha…
  • Bij pensa/crede (mening) → vaak congiuntivo: pensa che sia…, pensa che abbia…

Je hoeft dit niet perfect te beheersen, maar herken het: het is normaal dat je sia/abbia ziet na pensa che.

Zelfcheck (30 seconden)

  1. Heb ik een rapport-werkwoord? (dice/pensa/scrive…)
  2. Staat che direct daarna?
  3. Staat er in de bijzin een passato prossimo (of bij pensa che vaak sia/abbia + participio)?
  4. Klopt het hulpwerkwoord (avere/essere) en bij essere ook de vorm (stato/stata/stati/state)?
  5. Klopt de persoon? (“ik” uit de quote wordt meestal hij/zij in de zin.)
  1. De formule is: werkwoord + "che" + passato prossimo.
Azione passata (Actie in het verleden)Frase indiretta (Indirecte zin)
Marco: "Sono stato al mercato." (Marco: "Ik ben naar de markt geweest.")Marco dice che è stato al mercato. (Marco zegt dat hij naar de markt is geweest.)
Giulia: "Ha convinto tutti." (Giulia: "Hij/zij heeft iedereen overtuigd.")Giulia pensa che hai convinto tutti. (Giulia denkt dat jij iedereen hebt overtuigd.)
Fabio: "Ho rifiutato l'offerta." (Fabio: "Ik heb het aanbod geweigerd.")Fabio dice che ha rifiutato l'offerta. (Fabio zegt dat hij het aanbod heeft geweigerd.)
Paolo e Maria: "Abbiamo fatto un compromesso." (Paolo en Maria: "We hebben een compromis gesloten.")Paolo e Maria dicono che hanno fatto un compromesso. (Paolo en Maria zeggen dat ze een compromis hebben gesloten.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Il responsabile dice che ____ un compromesso con il cliente.

De verantwoordelijke zegt dat ze ____ een compromis met de klant hebben gesloten.

2. Giulia dice che ____ l'offerta perché non era conveniente.

Giulia zegt dat ze ____ het aanbod omdat het niet voordelig was.

3. Marco pensa che ____ molto convincente nella discussione.

Marco denkt dat ____ erg overtuigend in de discussie.

4. Paolo scrive che ____ il fornitore con una controfferta.

Paolo schrijft dat ze ____ de leverancier met een tegenaanbod.

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de correcte zin in indirecte rede met de voltooid tegenwoordige tijd.

1.
Voor een afgeronde handeling in het verleden gebruik je de voltooid tegenwoordige tijd, niet de tegenwoordige tijd (niet: sluit af).
Na "dat" is de voltooid tegenwoordige tijd nodig, niet het infinitief (niet: heeft afsluiten).
2.
Met "zei" (verleden) maak je meestal tijdencongruentie: vermijd om zonder context dezelfde voltooid tegenwoordige tijd in de bijzin te laten staan (beter: had genomen).
Je zegt niet "van dat"; de juiste constructie is "zei dat..." zonder "van".

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Zet de zinnen om in indirecte rede: gebruik het werkwoord (zeggen / denken / uitleggen) + dat + voltooid tegenwoordige tijd. Voorbeeld: "Ik ben klaar" → Hij zegt dat hij klaar is.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Laura: "Ho inviato l'email al cliente."
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Laura dice che ha inviato l'email al cliente.
    (Laura zegt dat ze de e-mail naar de klant heeft gestuurd.)
  2. Il responsabile: "Abbiamo cambiato l'orario della riunione."
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Il responsabile dice che hanno cambiato l'orario della riunione.
    (De verantwoordelijke zegt dat ze het tijdstip van de vergadering hebben veranderd.)
  3. Noi: "Siamo arrivati in ritardo al colloquio."
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Noi diciamo che siamo arrivati in ritardo al colloquio.
    (Wij zeggen dat we te laat op het sollicitatiegesprek zijn aangekomen.)
  4. Hint Hint (Lei pensa che) Tu: "Hai firmato il contratto ieri?"
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Lei pensa che tu abbia firmato il contratto ieri.
    (Zij denkt dat jij het contract gisteren hebt ondertekend.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: In tweetallen hebben ze het gesprek gereconstrueerd door de indirecte rede in de voltooid tegenwoordige tijd te gebruiken.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Dopo una negoziazione, riferisci al tuo capo cosa hanno detto i clienti.
(Na een onderhandeling vertel je je baas wat de klanten hebben gezegd.)

Bespreek
  • Qual è stata l'offerta e qual è stata la controfferta? (Wat was het aanbod en wat was het tegenaanbod?)
  • Chi ha rifiutato qualcosa e perché? Qual è stato il risultato? Come? (Wie heeft iets geweigerd en waarom? Wat was het resultaat? Hoe?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • durante la discussione, dicono che hanno fatto una controfferta (tijdens de discussie zeggen ze dat ze een tegenaanbod hebben gedaan)
  • credo che il compromesso sia stato utile (ik denk dat het compromis nuttig is geweest)
  • lei dice che ha rifiutato l'offerta (zij zegt dat ze het aanbod heeft geweigerd)

Gebruik in gesprek
  • X dice che ha rifiutato l'offerta. (X zegt dat hij het aanbod heeft geweigerd.)
  • Y pensa che abbiamo fatto un compromesso. (Y denkt dat we een compromis hebben gesloten.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 16/04/2026 03:03