Wandelkleding
Wandelkleding

Wandelkleding

Vêtements de randonnée


Pour partir en randonnée, il est essentiel d'avoir une tenue adaptée pour être à l'aise et en sécurité.
Om te gaan wandelen is het essentieel om geschikte kleding te hebben om comfortabel en veilig te zijn.

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Woord Vertaling
Le pantalon De wandelbroek
La veste Het jack
Les chaussures De schoenen
Le sac à dos De rugzak
Aujourd'hui, le défi est de faire une tenue de randonnée à moins de deux cents euros. (Vandaag is de uitdaging om een wandeloutfit samen te stellen voor minder dan tweehonderd euro.)
On commence par un pantalon de randonnée à soixante-quinze euros. (We beginnen met een wandelbroek van vijfenzestig euro.)
Ensuite, on prend une veste à quarante euros, ce qui fait un total de cent quinze euros pour le pantalon et la veste. (Vervolgens nemen we een jas van veertig euro, wat het totaal op honderd vijfenzestig euro brengt voor broek en jas.)
Pour les chaussures, on choisit une paire à quarante euros grâce à une réduction de trente pour cent. (Voor de schoenen kiezen we een paar van veertig euro dankzij een korting van dertig procent.)
Il faut aussi un sac à dos pour le pique-nique, à vingt euros. (Er is ook een rugzak nodig voor de picknick, die twintig euro kost.)
Avec tout ça, on est prêt à marcher toute la journée ! (Met dat alles zijn we klaar om de hele dag te wandelen!)

1. Quel est le but principal ?

(Wat is het hoofddoel?)

2. Quel article coûte vingt euros ?

(Welk artikel kost twintig euro?)

3. Pourquoi les chaussures coûtent quarante euros ?

(Waarom kosten de schoenen veertig euro?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Manon cherche des vêtements de randonnée

Manon zoekt wandelkleding
1. Stéphane: Manon ? Tu fais quoi ? (Manon? Wat ben je aan het doen?)
2. Manon: Je suis dans la chambre. Je cherche des vêtements de randonnée. (Ik ben op de slaapkamer. Ik zoek wandelkleding.)
3. Stéphane: Tu as des chaussures pour marcher ? (Heb je wandelschoenen?)
4. Manon: Oui, mais je n'ai plus de tee-shirt pour le sport. (Ja, maar ik heb geen sportshirt meer.)
5. Stéphane: Le plus important, c'est le pantalon. (Het belangrijkste is de broek.)
6. Manon: Oui, et le sac à dos, mais ça, je l'ai déjà. (Ja, en de rugzak, maar die heb ik al.)
7. Stéphane: Tu as une casquette aussi ? (Heb je ook een pet?)
8. Manon: Non, je vais faire les magasins tout à l'heure. (Nee, ik ga zo naar de winkels.)
9. Stéphane: D'accord, je viens avec toi. (Oké, ik ga met je mee.)

1. Qu'est-ce que Manon cherche dans la chambre ?

(Wat zoekt Manon in de slaapkamer?)

2. Pourquoi Manon va faire les magasins tout à l'heure ?

(Waarom gaat Manon zo naar de winkels?)