De wasmachine schoonmaken

Nettoyer la machine à laver


Nettoyer sa machine à laver facilement
De wasmachine gemakkelijk schoonmaken

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Woord Vertaling
La machine à laver de wasmachine
La mauvaise odeur de vieze geur
Nettoyer reinigen
Le filtre het filter
Le chiffon de doek
Ma machine à laver n'a pas de mauvaise odeur, c'est simple à nettoyer. (Mijn wasmachine heeft geen vieze geur; hij is gemakkelijk schoon te maken.)
Tu dois d'abord nettoyer le filtre avec du vinaigre blanc. (Je moet eerst het filter schoonmaken met witte azijn.)
Ensuite, tu dois nettoyer le tambour. (Vervolgens moet je de trommel schoonmaken.)
Il faut utiliser du vinaigre blanc puis essuyer avec un chiffon. (Gebruik witte azijn en veeg daarna af met een doek.)
Pour enlever les mauvaises odeurs, il faut verser du vinaigre blanc et lancer le cycle le plus chaud. (Om vieze geuren te verwijderen, giet je witte azijn in de trommel en start je de heetste wascyclus.)

1. Quel produit utilise-t-on pour nettoyer le filtre ?

(Welk product gebruikt men om het filter schoon te maken?)

2. Que fait-on après avoir mis du vinaigre blanc sur le tambour ?

(Wat doe je nadat je witte azijn in de trommel hebt gedaan?)

3. Quel cycle lance-t-on pour enlever les mauvaises odeurs ?

(Welke cyclus start je om vieze geuren te verwijderen?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Patrick veut faire une machine, mais il doit d'abord nettoyer la machine à laver

Patrick wil een was draaien, maar eerst moet hij de wasmachine schoonmaken
1. Patrick: Je fais une machine. Tu as du linge sale ? (Ik ga een was doen. Heb jij vuile kleren?)
2. Martine: Oui, mais il faut d'abord nettoyer la machine à laver. (Ja, maar we moeten eerst de wasmachine schoonmaken.)
3. Patrick: Avec quel produit ? (Met welk middel?)
4. Martine: Avec du vinaigre blanc. Il y a une bouteille dans la cuisine. (Met witte azijn. Er staat een fles in de keuken.)
5. Patrick: Où ça ? Je ne la trouve pas. (Waar precies? Ik kan hem niet vinden.)
6. Martine: Sous l'évier, à côté de la poubelle. (Onder de gootsteen, naast de vuilnisbak.)
7. Patrick: C'est bon, je l'ai. Après, tu m'aides à étendre le linge ? (Oké, ik heb hem. Daarna help je me met de was ophangen?)
8. Martine: Oui, pas de souci. (Ja, geen probleem.)

1. Quel produit Martine propose-t-elle pour nettoyer la machine à laver ?

(Welk middel stelt Martine voor om de wasmachine schoon te maken?)

2. Où se trouve la bouteille de vinaigre blanc ?

(Waar staat de fles witte azijn?)