De rekoefeningen
De rekoefeningen

De rekoefeningen

Les étirements


3 étirements pour soulager tes épaules !
3 rekoefeningen om je schouders te verlichten!

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Woord Vertaling
Les épaules Schouders
Les coudes Ellebogen
Les mains Handen
Les jambes Benen
Les genoux Knieën
Aujourd'hui, je vais te montrer trois étirements pour soulager les épaules. (Vandaag laat ik je drie rek‑oefeningen zien om spanning in de schouders te verminderen.)
Premier exercice : mets ta paume de main contre le coude. (Eerste oefening: leg je handpalm tegen je elleboog.)
Pousse pendant dix secondes. (Duw tien seconden.)
Fais ça quatre fois. (Doe dit vier keer.)
Deuxième exercice : lève tes mains vers le plafond. (Tweede oefening: til je handen naar het plafond.)
Quand ça tire, bloque pendant dix secondes et essaie de pousser un peu plus. (Als je rek voelt, houd je tien seconden vast en probeer dan nog iets verder te duwen.)
Troisième exercice : face au mur, plie les jambes. (Derde oefening: met je gezicht naar de muur, buig je de knieën.)
Lève ta main le plus haut possible, appuie fort sur le mur et plie les genoux. (Til je hand zo hoog mogelijk, druk stevig tegen de muur en blijf met gebogen knieën staan.)
Tiens dix secondes, puis répète. (Houd tien seconden vast en herhaal.)
Ces exercices vont aider à soulager tes cervicales et à améliorer la mobilité. (Deze oefeningen helpen je nek te ontlasten en verbeteren je mobiliteit.)

1. Combien d'étirements sont proposés ?

(Hoeveel rek‑oefeningen worden er voorgesteld?)

2. Dans le premier exercice, où est la paume de la main ?

(Waar is de handpalm bij de eerste oefening?)

3. Que fait-on dans le deuxième exercice ?

(Wat doe je bij de tweede oefening?)

4. Dans le troisième exercice, où se place-t-on ?

(Waar plaats je je bij de derde oefening?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Un élève demande à sa coach de l'aider à s'étirer

Een leerling vraagt zijn coach om hem te helpen met stretchen
1. Élève: Salut coach, tu peux m'aider à m'étirer ? (Hoi coach, kun je me helpen met stretchen?)
2. Entraîneuse: Oui. Tu as mal où ? (Ja. Waar heb je pijn?)
3. Élève: J'ai mal dans le bas du dos, surtout le matin. (Ik heb last van mijn onderrug, vooral 's ochtends.)
4. Entraîneuse: D'accord. Assieds-toi et tends les jambes devant toi. (Oké. Ga zitten en strek je benen voor je uit.)
5. Élève: Comme ça ? Je garde les jambes droites ? (Zo? Moet ik mijn benen gestrekt houden?)
6. Entraîneuse: Oui. Essaie de toucher tes pieds avec tes mains. (Ja. Probeer met je handen je voeten aan te raken.)
7. Élève: Ça tire un peu, mais c'est mieux. (Het trekt een beetje, maar het voelt beter.)
8. Entraîneuse: Très bien. Tu tiens trente secondes, puis tu te reposes. (Goed zo. Houd dat dertig seconden vast en rust daarna uit.)

1. Où l'élève a-t-il mal ?

(Waar heeft de leerling pijn?)

2. Que doit faire l'élève pour s'étirer ?

(Wat moet de leerling doen om te stretchen?)