In Italia ci sono 16 milioni di pensionati, un numero pari al 27% della popolazione totale. Questo è uno dei valori più alti dell'Unione Europea.
In Italië zijn er 16 miljoen gepensioneerden, een aantal dat gelijk staat aan 27% van de totale bevolking. Dit is een van de hoogste waarden van de Europese Unie.

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Herken de aangegeven woordenschat in de video.

Woord Vertaling
Una pensione da Een pensioen van
Le commissioni del mattino De ochtendboodschappen
La giornata tipo De typische dag
I pensionati De gepensioneerden
Leggo il giornale Ik lees de krant
Andato in pensione Met pensioen
Giancarlo ha settanta anni e vive a Torino. (Giancarlo is zeventig jaar en woont in Turijn.)
È un ex impiegato di banca e adesso è in pensione. (Hij is een voormalig bankbediende en is nu met pensioen.)
Ha una pensione di quasi tremila euro al mese. (Hij krijgt een pensioen van bijna drieduizend euro per maand.)
La mattina esce di casa per fare le sue commissioni. ('s Ochtends gaat hij de deur uit om zijn klusjes/boodschappen te doen.)
Per esempio va dal macellaio e compra la carne cruda, da vero piemontese. (Bijvoorbeeld gaat hij naar de slager en koopt rauw vlees, zoals een echte Piemontes.)
La sua giornata è simile a quella di molti pensionati che hanno solo mille euro al mese. (Zijn dag lijkt op die van veel gepensioneerden die maar duizend euro per maand hebben.)
Di solito alle sei e mezza o alle sette porta fuori il cane. (Gewoonlijk laat hij de hond uit om half zeven of om zeven uur.)
Poi torna a casa, fa colazione e continua con le altre commissioni. (Daarna gaat hij weer naar huis, ontbijt en gaat verder met de andere klusjes/boodschappen.)
Nel tempo libero legge il giornale. (In zijn vrije tijd leest hij de krant.)
Ha lavorato per trentotto anni e quando è andato in pensione era classificato come quadro. (Hij heeft achtendertig jaar gewerkt en toen hij met pensioen ging, had hij de functiebenaming 'quadro'.)

Begripsvragen:

  1. Quanti anni ha Giancarlo e dove vive?

    (Hoe oud is Giancarlo en waar woont hij?)

  2. Che cosa fa Giancarlo la mattina, dopo aver portato fuori il cane?

    (Wat doet Giancarlo 's ochtends nadat hij de hond heeft uitgelaten?)

  3. Quanti anni ha lavorato Giancarlo prima di andare in pensione?

    (Hoeveel jaar heeft Giancarlo gewerkt voordat hij met pensioen ging?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Andare in pensione

Met pensioen gaan
1. Figlio: Mamma, manca poco alla tua pensione. Come ti senti? (Mam, je pensionering is bijna. Hoe voel je je?)
2. Madre: Sì, è vero. Sono emozionata e un po’ preoccupata. Dopo tanti anni di lavoro, non so bene cosa farò. (Ja, dat klopt. Ik ben enthousiast en ook een beetje bezorgd. Na zoveel jaren werken weet ik nog niet precies wat ik ga doen.)
3. Figlio: Hai già pensato a cosa farai con tutto il tuo tempo libero? (Heb je al nagedacht wat je met al je vrije tijd wilt doen?)
4. Madre: Voglio godermi il tempo libero, certo. Non devo più andare al lavoro, ma voglio anche fare qualcosa che mi piace. (Ik wil natuurlijk van mijn vrije tijd genieten. Ik hoef niet meer naar mijn werk, maar ik wil ook iets doen dat ik leuk vind.)
5. Figlio: Magari potresti fare volontariato, aiutare qualcuno. Che ne pensi? (Misschien kun je vrijwilligerswerk doen en iemand helpen. Wat vind je daarvan?)
6. Madre: Forse, ma non so se voglio farlo tutti i giorni. Pensavo più a qualcosa che mi dia più libertà. (Misschien, maar ik weet niet of ik dat elke dag wil doen. Ik dacht meer aan iets dat me meer vrijheid geeft.)
7. Figlio: Ti prenderai il tempo per capire come adattarti a questa nuova vita. È una grande novità! (Je neemt de tijd om uit te vinden hoe je je aan dit nieuwe leven aanpast. Het is een grote verandering!)
8. Madre: Sì, è una novità, ma sono contenta. Voglio fare cose nuove, magari fare qualche viaggio che ho sempre voluto fare. (Ja, het is een verandering, maar ik ben er blij mee. Ik wil nieuwe dingen doen, misschien wat reizen maken die ik altijd al heb willen doen.)
9. Figlio: Allora possiamo organizzare qualche viaggio insieme! (Dan kunnen we samen een paar reizen plannen!)
10. Madre: Mi piace l’idea! (Dat vind ik een goed idee!)

1. Che cosa sta per succedere alla madre?

(Wat staat er te gebeuren met de moeder?)

2. Come si sente la madre riguardo alla pensione?

(Hoe voelt de moeder zich over het pensioen?)

Oefening 3: Openingsvragen voor gesprekken

Instructie: Beantwoord de vragen en corrigeer ze met je leraar.

  1. Tra dieci o quindici anni, come immagini la tua vita da pensionato? Dove vivrai e com'è una tua giornata tipo?
    Over tien of vijftien jaar: hoe zie je je leven als gepensioneerde voor je? Waar zul je wonen en hoe ziet een gewone dag eruit?

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Quando andrai in pensione, quali attività o passatempi vorresti iniziare o fare più spesso? Perché?
    Als je met pensioen bent, welke activiteiten of hobby's zou je willen beginnen of vaker doen? Waarom?

    __________________________________________________________________________________________________________

  3. Se non dovrai più andare al lavoro ogni giorno, come organizzerai il tempo libero tra famiglia, amici e interessi personali?
    Als je niet elke dag meer naar je werk hoeft, hoe verdeel je dan je vrije tijd tussen familie, vrienden en persoonlijke interesses?

    __________________________________________________________________________________________________________

  4. Pensi che sia importante avere un piano o degli obiettivi per la pensione (per esempio viaggi, corsi, volontariato)? Perché sì o perché no?
    Vind je het belangrijk om een plan of doelen voor je pensioen te hebben (bijvoorbeeld reizen, cursussen, vrijwilligerswerk)? Waarom wel of niet?

    __________________________________________________________________________________________________________