Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel de items die een verwante betekenis hebben.

andare a scuola — frequentare la scuola (andare a scuola — naar school gaan)
avere buoni voti — prendere buoni risultati (avere buoni voti — goede cijfers halen)
l'aula — la stanza di lezione (l'aula — het klaslokaal)
l'infanzia — gli anni dell'infanzia (l'infanzia — de kinderjaren)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Ricordi di scuola in Italia

Vul de lege plekken in: scuola, andavo, ero, esperienza, aula, avevo, insegnava, penna, matita

(Herinneringen aan school in Italië)

Quando bambina, alla primaria vicino a casa. L’ era piccola, ma mi piaceva molto. Ogni mattina portavo nello zaino una , una e il mio quaderno rosso. La maestra matematica e italiano con pazienza, e noi facevamo molti esercizi. In quel periodo quasi sempre buoni voti.

Negli anni della scuola media la mia è cambiata. La classe era più grande e avevamo tanti professori diversi. Alcune lezioni erano difficili, ma ho imparato molto. Alla fine della scuola media ho fatto un esame e ho preso il diploma. Ancora oggi ho un ricordo speciale di quei giorni: la mia infanzia è legata alla scuola e ai miei compagni.
Toen ik een kind was, ging ik naar de lagere school vlakbij huis. Het klaslokaal was klein, maar ik vond het erg leuk. Elke ochtend deed ik een potlood, een pen en mijn rode schrift in mijn rugzak. De juf gaf met geduld les in rekenen en Italiaans, en wij maakten veel oefeningen. In die periode had ik bijna altijd goede cijfers.

In de jaren van de middelbare school veranderde mijn ervaring. De klas was groter en we hadden veel verschillende docenten. Sommige lessen waren moeilijk, maar ik heb veel geleerd. Aan het einde van de middelbare school deed ik een examen en kreeg ik mijn diploma. Nog steeds heb ik een speciale herinnering aan die dagen: mijn jeugd is verbonden met de school en mijn klasgenoten.

  1. Com’era la scuola primaria descritta nel testo?

    (Hoe werd de lagere school in de tekst beschreven?)

Oefening 3: Luistervaardigheid

Instructie: Luister naar het audiofragment en geef aan of de volgende uitspraken waar of onwaar zijn.

Negli anni della mia infanzia andavo a scuola in un paesino. Alla scuola primaria avevo una classe piccola e l'aula era sempre luminosa. La mia maestra sapeva insegnare bene e io avevo buoni voti, soprattutto in italiano. Alle medie è stato diverso: la classe era più grande e le lezioni finivano più tardi. Alle superiori ho scelto un istituto tecnico e, alla fine, ho preso il diploma.
(In mijn jeugdjaren ging ik naar school in een klein dorp. Op de lagere school had ik een kleine klas en het lokaal was altijd licht. Mijn juf kon goed lesgeven en ik had goede cijfers, vooral voor Italiaans. Op de middelbare school was het anders: de klas was groter en de lessen eindigden later. Voor de bovenbouw koos ik een technische school en uiteindelijk heb ik mijn diploma behaald.)
Waar Onwaar

(Als kind ging ze naar de lagere school in een klein dorp met weinig klasgenoten.)

(Op de middelbare school ging ze eerder naar huis omdat de lessen eerder eindigden.)

(Op de middelbare school heeft ze op een technische school gezeten en haar diploma behaald.)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Quando andavo alla scuola media, il mio professore di storia ___ con molta passione e preparava sempre lezioni interessanti.

(Toen ik op de middelbare school zat, mijn geschiedenisleraar ___ met veel passie en bereidde altijd interessante lessen voor.)

2. Negli anni della scuola superiore non ___ ancora cosa volevo studiare all’università.

(In de jaren van de middelbare school ___ ik nog niet wat ik aan de universiteit wilde gaan studeren.)

3. Ieri, durante il test di matematica, all’improvviso ___ la risposta giusta a un problema molto difficile.

(Gisteren, tijdens de wiskundetoets, plotseling ___ ik het juiste antwoord op een heel moeilijk probleem.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Discussievragen

Instructie: Beantwoord de vragen met het vocabulaire uit dit hoofdstuk.

Nuttige uitdrukkingen:

Quando ero piccolo/a, andavo a… / Ho un bel ricordo: un giorno a scuola… / Per me la scuola primaria/media/superiore era…

  1. Com’era la tua scuola da bambino o da bambina? Descrivila in poche parole.
    Hoe was jouw school toen je een kind was? Beschrijf het in een paar woorden.

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Racconta un ricordo positivo della tua infanzia a scuola: cosa è successo?
    Vertel een positieve herinnering uit je schooltijd: wat gebeurde er?

    __________________________________________________________________________________________________________

  3. In che modo la scuola in Italia è diversa rispetto alla scuola del tuo Paese o a quella che hai frequentato prima?
    Op welke manier verschilt de school in Italië van de school in jouw land of van de school die jij vroeger bezocht?

    __________________________________________________________________________________________________________

  4. Oggi, nella tua vita professionale, cosa ti è rimasto di importante della tua educazione scolastica?
    Wat van je schoolopleiding is vandaag nog belangrijk voor jouw professionele leven?

    __________________________________________________________________________________________________________

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Ciao!

sto preparando una piccola presentazione per il corso di italiano. Devo parlare della mia esperienza scolastica e della scuola italiana. Ho pensato anche a te 😊

Com’era la tua infanzia a scuola? Andavi a scuola vicino a casa? Ti ricordi qualche lezione o insegnante speciale? In che tipo di scuola superiore hai studiato e che diploma hai preso?

Mi puoi scrivere due parole sulla tua esperienza? Così confronto la mia con la tua.

Un abbraccio,
Chiara


Hoi!

Ik ben een kleine presentatie aan het voorbereiden voor de cursus Italiaans. Ik moet praten over mijn schoolervaring en over de Italiaanse school. Ik moest aan jou denken 😊

Hoe was jouw schooltijd als kind? Ging je naar school vlak bij huis? Herinner je je een speciale les of een bijzondere docent? Naar wat voor soort middelbare school ging je en welk diploma heb je gehaald?

Kun je me een paar woorden schrijven over jouw ervaring? Dan kan ik die van mij met die van jou vergelijken.

Liefs,
Chiara


Nuttige zinnen:

  1. Da bambino/a andavo a scuola…

    (Als kind ging ik naar school...)

  2. Mi ricordo che il mio insegnante di…

    (Ik herinner me dat mijn leraar...)

  3. Alla scuola superiore ho scelto…

    (Op de middelbare school koos ik voor...)

Ciao Chiara,

da bambino andavo a scuola vicino a casa, a piedi con mia madre. La scuola primaria era piccola ma mi piaceva. Mi ricordo che avevo un insegnante di matematica molto gentile, spiegava bene e io avevo buoni voti.

Alla scuola superiore ho scelto un liceo scientifico nel mio Paese. Ho studiato molto, ma ho imparato tante cose utili. Dopo cinque anni ho preso il diploma. In generale la mia esperienza a scuola è stata positiva.

Un abbraccio,
[Il tuo nome]

Hoi Chiara,

als kind ging ik naar school dicht bij huis, te voet met mijn moeder. De basisschool was klein maar ik vond het leuk. Ik herinner me dat ik een heel aardige wiskundeleraar had; hij legde goed uit en ik haalde goede cijfers.

Op de middelbare school heb ik gekozen voor een atheneum/lyceum in mijn land. Ik heb veel gestudeerd, maar ik heb ook veel nuttige dingen geleerd. Na vijf jaar heb ik mijn diploma gehaald. Over het algemeen was mijn schoolervaring positief.

Liefs,
[Je naam]