Winkelen gisteren en vandaag
Winkelen gisteren en vandaag

Winkelen gisteren en vandaag

Fare acquisti ieri e oggi


Il video mostra che i negozi di quartiere fanno fatica a restare aperti, perché i centri commerciali attirano più clienti e gli affitti sono sempre più alti.
De video laat zien dat buurtwinkels moeite hebben om open te blijven, omdat de winkelcentra meer klanten aantrekken en de huren steeds hoger worden.

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Woord Vertaling
I negozi De winkels
Il commercio De handel
I negozi tradizionali De traditionele winkels
Le botteghe De kleine winkels
I negozi di moda De modewinkels
Le edicole De kiosken
Il saldo De uitverkoop
Le vie dello shopping De winkelstraten
I centri commerciali De winkelcentra
Nei negozi del centro c'è poca gente e chi entra compra meno rispetto a una volta. (In de winkels in het centrum is het rustig en wie binnenkomt koopt minder dan vroeger.)
Nel duemilaquattordici e nel duemilaquindici il commercio a Venezia continua ad avere difficoltà. (In 2014 en 2015 blijft de handel in Venetië het moeilijk hebben.)
La Confesercenti lancia l'allarme, evidenziando come i negozi tradizionali continuino a diminuire. (Confesercenti slaat alarm en benadrukt dat de traditionele winkels blijven afnemen.)
Tra gennaio e agosto si registrano novantuno botteghe in meno. (Tussen januari en augustus zijn er 91 winkels minder.)
I negozi di moda e di calzature sono diminuiti di venti unità nei primi otto mesi. (Mode- en schoenenwinkels zijn in de eerste acht maanden met twintig afgenomen.)
Anche edicole e rivenditori di giornali e periodici sono in calo. (Ook kiosken en verkopers van kranten en tijdschriften gaan achteruit.)
Il saldo tra aperture e chiusure segnala un meno venticinque. (Het saldo tussen openingen en sluitingen komt uit op min vijfentwintig.)
Molte vie dello shopping hanno ora molte saracinesche abbassate. (Veel winkelstraten hebben nu veel rolluiken omlaag.)
La crisi è legata alla concorrenza dei centri commerciali. (De crisis hangt samen met de concurrentie van winkelcentra.)
"Con il degrado che c'è nelle strade, la gente si sente più sicura al centro commerciale." ("Door de verloedering op straat voelen mensen zich veiliger in het winkelcentrum.")

1. Perché molte persone preferiscono andare al centro commerciale?

(Waarom gaan veel mensen liever naar het winkelcentrum?)

2. Che cosa succede ai negozi tradizionali a Venezia?

(Wat gebeurt er met de traditionele winkels in Venetië?)

3. Qual è il saldo tra aperture e chiusure dei negozi?

(Wat is het saldo tussen openingen en sluitingen van winkels?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Una madre e una figlia parlano dei negozi e di come sono cambiati gli acquisti

Een moeder en een dochter praten over winkels en hoe het winkelen is veranderd
1. Madre: Quando ero giovane, compravo spesso la carne dal macellaio vicino a casa. (Toen ik jong was, kocht ik vaak vlees bij de slager vlak bij huis.)
2. Figlia: Ah sì? Oggi la carne la compriamo al supermercato che c'è nel centro commerciale. (Echt? Tegenwoordig kopen we het vlees in de supermarkt in het winkelcentrum.)
3. Madre: Sì, oggi nei centri commerciali trovi di tutto: supermercati, negozi d'abbigliamento e negozi di elettronica. (Ja, tegenwoordig vind je in winkelcentra van alles: supermarkten, kledingwinkels en elektronicawinkels.)
4. Figlia: E tu, dove andavi a fare la spesa? (En jij, waar deed je boodschappen?)
5. Madre: Andavo in centro città, tesoro. C'erano molti piccoli negozi e conoscevo tutti i commercianti. (Ik ging naar het stadscentrum, lieverd. Er waren veel kleine winkels en ik kende alle winkeliers.)
6. Figlia: Sì, ma non pensi che il centro commerciale sia più comodo? (Ja, maar vind je niet dat het winkelcentrum handiger is?)
7. Madre: Sì, è più comodo, ma prima c'era più contatto umano. Oggi non è più così. (Ja, het is handiger, maar vroeger was er meer menselijk contact. Tegenwoordig is dat niet meer zo.)
8. Figlia: Beh, anche i commessi sono gentili quando andiamo a fare shopping. (Nou, de winkelbedienden zijn ook vriendelijk wanneer we gaan winkelen.)
9. Madre: Sì, ma non è la stessa cosa, figlia mia. (Ja, maar het is niet hetzelfde, mijn dochter.)
10. Figlia: Ho capito, mamma. So che ti senti un po' nostalgica perché i tempi sono cambiati. (Ik begrijp het, mama. Ik weet dat je je een beetje nostalgisch voelt omdat de tijden zijn veranderd.)

1. Dove compra la carne la figlia oggi?

(Waar koopt de dochter tegenwoordig vlees?)

2. Cosa dice la madre che manca rispetto al passato?

(Wat zegt de moeder dat er ontbreekt vergeleken met vroeger?)