Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Wo lebt Laura jetzt?
Woher kommt Cans Kollege Can?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Hallo, ich ___ aus Mexiko.
(Hallo, ik ___ uit Mexico.)2. Woher kommst du und wo ___ du jetzt in Deutschland?
(Waar kom je vandaan en waar ___ je nu in Duitsland?)3. Wir ___ aus den Niederlanden und leben in Berlin.
(Wij ___ uit Nederland en wonen in Berlijn.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Du bist neu im Deutschkurs. In der Pause lernst du eine Person kennen. Frag freundlich: Woher kommst du? (Verwende: Woher?, Ich komme aus…, aus)
(Je bent nieuw in de Duitse cursus. In de pauze leer je iemand kennen. Vraag vriendelijk: Waar kom je vandaan? (Gebruik: Waarvandaan?, Ik kom uit…, uit))Woher kommst
(Waar kom ...)Voorbeeld:
Hallo! Woher kommst du? Ich komme aus Spanien.
(Hallo! Waar kom je vandaan? Ik kom uit Spanje.)2. Du bist auf einem kleinen Firmenevent und stellst dich kurz vor. Sag, aus welchem Land du kommst. (Verwende: Ich komme aus…, das Land, aus)
(Je bent op een klein bedrijfsfeestje en stelt je kort voor. Zeg uit welk land je komt. (Gebruik: Ik kom uit…, het land, uit))Ich komme
(Ik kom ...)Voorbeeld:
Ich komme aus Italien. Und du?
(Ik kom uit Italië. En jij?)