Welcher Sport ist geeignet um Gewicht zu verlieren, welcher nicht? Im Video wird erklärt, wieso joggen gehen nicht unbedingt optimal ist...
Welke sport is geschikt om gewicht te verliezen, welke niet? In de video wordt uitgelegd waarom hardlopen niet per se optimaal is...

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Herken de aangegeven woordenschat in de video.

Woord Vertaling
Joggen Joggen
Bewegung Beweging
Schwimmen Zwemmen
Fußball Voetbal
Tennis Tennis
Krafttraining Krachttraining
Wenn du immer wieder dein Knie belastest, bekommst du Probleme mit dem Knie. (Als je je knie steeds zwaar belast, krijg je problemen met je knie.)
Dann kannst du nicht mehr joggen. (Dan kun je niet meer joggen.)
Darum ist es gut, eine andere Art von Bewegung zu wählen. (Daarom is het goed om een andere vorm van beweging te kiezen.)
Zum Beispiel: Schwimmen ist sehr gut für die Gelenke und man verbrennt viele Kalorien. (Bijvoorbeeld: zwemmen is erg goed voor de gewrichten en je verbrandt veel calorieën.)
Fußball und Tennis sind auch besser, weil man dort mehr Abwechslung hat. (Voetbal en tennis zijn ook beter, omdat je daar meer afwisseling hebt.)
Es macht mehr Spaß, man macht es länger und verbrennt so mehr Kalorien. (Het is leuker, je doet het langer en verbrandt daardoor meer calorieën.)
Meine Empfehlung ist Krafttraining. (Mijn aanbeveling is krachttraining.)

Begripsvragen:

  1. Warum sollte man bei Knieproblemen eine andere Art von Bewegung wählen?

    (Waarom zou je bij knieproblemen een andere vorm van beweging kiezen?)

  2. Welche Sportarten sind gut für die Gelenke und verbrennen viele Kalorien?

    (Welke sporten zijn goed voor de gewrichten en verbranden veel calorieën?)

  3. Welche Sportart empfiehlt die Person am Ende?

    (Welke sport raadt de persoon aan aan het einde?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Sport und Training mit Lara

Sport en training met Lara
1. Jan: Das war klasse, Lara. Mach weiter so! (Dat was fantastisch, Lara. Ga vooral zo door!)
2. Lara: Dankeschön. Aber was kann ich noch zusätzlich zu unseren Einheiten machen? (Dank je. Maar wat kan ik nog extra doen naast onze trainingen?)
3. Jan: Krafttraining ist auf jeden Fall die Basis für alles. Außerdem könntest du einmal pro Woche schwimmen. (Krachttraining vormt sowieso de basis voor alles. Daarnaast zou je één keer per week kunnen gaan zwemmen.)
4. Lara: Schwimmen mag ich leider gar nicht. Was empfiehlst du noch? (Zwemmen vind ik helaas helemaal niets. Wat raad je nog meer aan?)
5. Jan: Hast du denn als Kind Sport gemacht? (Heb je als kind aan sport gedaan?)
6. Lara: Bis ich 18 war habe ich sehr viel Tennis gespielt. Wieso? (Tot mijn achttiende heb ik heel veel tennis gespeeld. Waarom?)
7. Jan: Sportarten, die du als Kind gemacht hast, sind oft am besten. Ich habe früher zum Beispiel Basketball und Boxen gemacht. (Sporten die je als kind hebt gedaan, zijn vaak het beste om weer op te pakken. Ik deed vroeger bijvoorbeeld basketbal en boksen.)
8. Lara: Und das machst du immer noch? (En doe je dat nog steeds?)
9. Jan: Ja, genau. Beides macht mir immer noch so viel Spaß wie früher und es trainiert meine Ausdauer. (Ja, precies. Beide vind ik nog steeds even leuk als vroeger en het verbetert mijn uithoudingsvermogen.)
10. Lara: Okay, ich verstehe. Dann schaue ich mal, ob ich noch meinen Tennisschläger habe. (Oké, ik snap het. Dan kijk ik even of ik mijn tennisracket nog heb.)
11. Jan: Das ist perfekt. Mach das zusätzlich zu unseren Einheiten ein- bis zweimal pro Woche! (Dat is perfect. Doe dat naast onze sessies één à twee keer per week!)

1. Was sagt Jan am Anfang zu Lara?

(Wat zegt Jan aan het begin tegen Lara?)

2. Welchen Sport mag Lara nicht?

(Welke sport vindt Lara niet leuk?)

Oefening 3: Openingsvragen voor gesprekken

Instructie: Beantwoord de vragen en corrigeer ze met je leraar.

  1. Welche Sportart machen Sie im Moment? Wie oft pro Woche?
    Welke sport beoefent u momenteel? Hoe vaak per week?

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Stellen Sie sich vor: Sie hatten heute einen langen Arbeitstag. Welche Bewegung oder welchen Sport machen Sie danach, um fit zu bleiben?
    Stel u zich voor: u had vandaag een lange werkdag. Welke lichamelijke activiteit of welke sport doet u daarna om fit te blijven?

    __________________________________________________________________________________________________________

  3. Welche Sportart haben Sie als Kind gemacht? Machen Sie diese Sportart heute noch? Warum oder warum nicht?
    Welke sport beoefende u als kind? Doet u die sport nu nog? Waarom wel of niet?

    __________________________________________________________________________________________________________

  4. Sie möchten mit einem Kollegen nach der Arbeit Sport machen. Was schlagen Sie vor? Wann und wo treffen Sie sich?
    U wilt na het werk met een collega gaan sporten. Wat stelt u voor? Wanneer en waar spreekt u af?

    __________________________________________________________________________________________________________