A1.40.1 - Een extra eenheid
Eine zusätzliche Einheit
Oefening 1: Taalonderdompeling
Instructie: Herken de aangegeven woordenschat in de video.
| Woord | Vertaling |
|---|---|
| Joggen | Joggen |
| Bewegung | Beweging |
| Schwimmen | Zwemmen |
| Fußball | Voetbal |
| Tennis | Tennis |
| Krafttraining | Krachttraining |
| Wenn du immer wieder dein Knie belastest, bekommst du Probleme mit dem Knie. | (Als je je knie steeds zwaar belast, krijg je problemen met je knie.) |
| Dann kannst du nicht mehr joggen. | (Dan kun je niet meer joggen.) |
| Darum ist es gut, eine andere Art von Bewegung zu wählen. | (Daarom is het goed om een andere vorm van beweging te kiezen.) |
| Zum Beispiel: Schwimmen ist sehr gut für die Gelenke und man verbrennt viele Kalorien. | (Bijvoorbeeld: zwemmen is erg goed voor de gewrichten en je verbrandt veel calorieën.) |
| Fußball und Tennis sind auch besser, weil man dort mehr Abwechslung hat. | (Voetbal en tennis zijn ook beter, omdat je daar meer afwisseling hebt.) |
| Es macht mehr Spaß, man macht es länger und verbrennt so mehr Kalorien. | (Het is leuker, je doet het langer en verbrandt daardoor meer calorieën.) |
| Meine Empfehlung ist Krafttraining. | (Mijn aanbeveling is krachttraining.) |
Begripsvragen:
-
Warum sollte man bei Knieproblemen eine andere Art von Bewegung wählen?
(Waarom zou je bij knieproblemen een andere vorm van beweging kiezen?)
-
Welche Sportarten sind gut für die Gelenke und verbrennen viele Kalorien?
(Welke sporten zijn goed voor de gewrichten en verbranden veel calorieën?)
-
Welche Sportart empfiehlt die Person am Ende?
(Welke sport raadt de persoon aan aan het einde?)
Oefening 2: Dialoog
Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.
Sport und Training mit Lara
| 1. | Jan: | Das war klasse, Lara. Mach weiter so! | (Dat was fantastisch, Lara. Ga vooral zo door!) |
| 2. | Lara: | Dankeschön. Aber was kann ich noch zusätzlich zu unseren Einheiten machen? | (Dank je. Maar wat kan ik nog extra doen naast onze trainingen?) |
| 3. | Jan: | Krafttraining ist auf jeden Fall die Basis für alles. Außerdem könntest du einmal pro Woche schwimmen. | (Krachttraining vormt sowieso de basis voor alles. Daarnaast zou je één keer per week kunnen gaan zwemmen.) |
| 4. | Lara: | Schwimmen mag ich leider gar nicht. Was empfiehlst du noch? | (Zwemmen vind ik helaas helemaal niets. Wat raad je nog meer aan?) |
| 5. | Jan: | Hast du denn als Kind Sport gemacht? | (Heb je als kind aan sport gedaan?) |
| 6. | Lara: | Bis ich 18 war habe ich sehr viel Tennis gespielt. Wieso? | (Tot mijn achttiende heb ik heel veel tennis gespeeld. Waarom?) |
| 7. | Jan: | Sportarten, die du als Kind gemacht hast, sind oft am besten. Ich habe früher zum Beispiel Basketball und Boxen gemacht. | (Sporten die je als kind hebt gedaan, zijn vaak het beste om weer op te pakken. Ik deed vroeger bijvoorbeeld basketbal en boksen.) |
| 8. | Lara: | Und das machst du immer noch? | (En doe je dat nog steeds?) |
| 9. | Jan: | Ja, genau. Beides macht mir immer noch so viel Spaß wie früher und es trainiert meine Ausdauer. | (Ja, precies. Beide vind ik nog steeds even leuk als vroeger en het verbetert mijn uithoudingsvermogen.) |
| 10. | Lara: | Okay, ich verstehe. Dann schaue ich mal, ob ich noch meinen Tennisschläger habe. | (Oké, ik snap het. Dan kijk ik even of ik mijn tennisracket nog heb.) |
| 11. | Jan: | Das ist perfekt. Mach das zusätzlich zu unseren Einheiten ein- bis zweimal pro Woche! | (Dat is perfect. Doe dat naast onze sessies één à twee keer per week!) |
1. Was sagt Jan am Anfang zu Lara?
(Wat zegt Jan aan het begin tegen Lara?)2. Welchen Sport mag Lara nicht?
(Welke sport vindt Lara niet leuk?)Oefening 3: Openingsvragen voor gesprekken
Instructie: Beantwoord de vragen en corrigeer ze met je leraar.
-
Welche Sportart machen Sie im Moment? Wie oft pro Woche?
Welke sport beoefent u momenteel? Hoe vaak per week?
__________________________________________________________________________________________________________
-
Stellen Sie sich vor: Sie hatten heute einen langen Arbeitstag. Welche Bewegung oder welchen Sport machen Sie danach, um fit zu bleiben?
Stel u zich voor: u had vandaag een lange werkdag. Welke lichamelijke activiteit of welke sport doet u daarna om fit te blijven?
__________________________________________________________________________________________________________
-
Welche Sportart haben Sie als Kind gemacht? Machen Sie diese Sportart heute noch? Warum oder warum nicht?
Welke sport beoefende u als kind? Doet u die sport nu nog? Waarom wel of niet?
__________________________________________________________________________________________________________
-
Sie möchten mit einem Kollegen nach der Arbeit Sport machen. Was schlagen Sie vor? Wann und wo treffen Sie sich?
U wilt na het werk met een collega gaan sporten. Wat stelt u voor? Wanneer en waar spreekt u af?
__________________________________________________________________________________________________________
Oefen deze dialoog met een echte leraar!
Deze dialoog maakt deel uit van ons leermateriaal. Tijdens onze conversatielessen oefen je de situaties met een docent en andere studenten.
- Implementeert ERK-, DELE-examen en Cervantes-richtlijnen
- Ondersteund door de universiteit van Siegen