Woher kommst du wirklich. Was ist das Problem mit dieser Frage? Die Reporterin ist in Deutschland geboren ist und bekommt diese Frage oft gestellt. Sie stellt diese Frage nun anderen Leuten.
Waar kom je echt vandaan. Wat is het probleem met deze vraag? De journaliste is in Duitsland geboren en krijgt deze vraag vaak gesteld. Nu stelt ze deze vraag aan andere mensen.

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Woord Vertaling
Ich komme aus Deutschland Ik kom uit Duitsland
Woher kommen Sie? Waar komt u vandaan?
Aus Berlin Uit Berlijn
Woher kommst du? Waar kom jij vandaan?
Sprecher: Ich komme aus Bayern. (Spreker: Ik kom uit Beieren.)
Ich bin in Ingolstadt geboren und diese Frage hört man immer wieder ... (Ik ben in Ingolstadt geboren en die vraag hoor je steeds weer...)
Sprecherin: Ich komme aus Deutschland. Wo kommst du her? (Spreekster: Ik kom uit Duitsland. Waar kom jij vandaan?)
Sprecherin: Würde es eine Statistik darüber geben, welche Frage mir am häufigsten gestellt wird, dann wäre „Woher kommst du?“ ganz vorne mit dabei. (Spreekster: Als er een statistiek bestond over welke vraag mij het vaakst wordt gesteld, zou „Waar kom jij vandaan?” bovenaan staan.)
Sprecherin: Heute drehe ich den Spieß um und sehe, wie sie darauf reagieren. (Spreekster: Vandaag draai ik het om en kijk ik hoe mensen daarop reageren.)
Sprecherin: Entschuldigung, darf ich mal fragen, woher ihr kommt? (Spreekster: Pardon, mag ik even vragen waar jullie vandaan komen?)
Passantin: Aus Nürnberg. (Voorbijganger: Uit Neurenberg.)
Sprecherin: Aus Nürnberg? Du auch? (Spreekster: Uit Neurenberg? Jij ook?)
Sprecherin: Woher kommen denn eure Eltern? – Aus Nürnberg. (Spreekster: Waar komen jullie ouders vandaan? — Uit Neurenberg.)
Sprecherin: Woher kommen Sie? – Aus Hamburg. – Und woher kommen Sie wirklich? – Aus Hamburg. (Spreekster: Waar komt u vandaan? — Uit Hamburg. — En waar komt u écht vandaan? — Uit Hamburg.)

1. Woher kommt der erste Sprecher?

(Waar komt de eerste spreker vandaan?)

2. Wo ist der erste Sprecher geboren?

(Waar is de eerste spreker geboren?)

3. Was sagt die Sprecherin über sich?

(Wat zegt de spreekster over zichzelf?)

4. Woher kommt die Passantin, die auf der Straße antwortet?

(Waar komt de voorbijganger die op straat antwoordt vandaan?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Maria und Sven sprechen über ihre Herkunft

Maria en Sven praten over hun afkomst
1. Sven: Entschuldigung, sprechen Sie Englisch? (Pardon, spreekt u Engels?)
2. Maria: Nein, ich spreche kein Englisch. Ich spreche Deutsch, Spanisch und Französisch. (Nee, ik spreek geen Engels. Ik spreek Duits, Spaans en Frans.)
3. Sven: Woher kommen Sie? (Waar komt u vandaan?)
4. Maria: Ich komme aus Hamburg. Woher kommen Sie? (Ik kom uit Hamburg. En u, waar komt u vandaan?)
5. Sven: Ich komme aus Dänemark, aber ich lebe schon sehr lange in Berlin. Warum sprechen Sie Spanisch? (Ik kom uit Denemarken, maar ik woon al heel lang in Berlijn. Waarom spreekt u Spaans?)
6. Maria: Ich spreche Spanisch, weil meine Mutter aus Mexiko kommt. (Ik spreek Spaans omdat mijn moeder uit Mexico komt.)
7. Sven: Und Sie sprechen Französisch, weil Ihr Vater aus Frankreich kommt? (En u spreekt Frans omdat uw vader uit Frankrijk komt?)
8. Maria: Genau. Mein Vater kommt aus Marseille. (Precies. Mijn vader komt uit Marseille.)

1. Woher kommt Maria?

(Waar komt Maria vandaan?)

2. Warum spricht Maria Spanisch?

(Waarom spreekt Maria Spaans?)