A1.23 - Uiterlijk
A1.23 - Uiterlijk

A1.23 - Uiterlijk - Oefeningen

Äußeres Erscheinungsbild


Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Der Mann hat einen Bart. (De man heeft een baard.)
Sie hat blonde Locken. (Zij heeft blonde krullen.)
Ein Kollege ist groß und dünn. (Een collega is groot en dun.)
Ich mache schnell ein Foto. (Ik maak snel een foto.)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Aushang am Empfang: Besucherausweise

Vul de lege plekken in: lange, groß, braunhaarig, kurze, rothaarig, blaue, blond, Beschreibung, klein

(Aankondiging bij de receptie: bezoekerspassen)

Bitte melden Sie Besucherinnen und Besucher vor dem Termin per E‑Mail bei der Rezeption an. Wir brauchen den Namen, die Firma und eine kurze .

Beispiel: „Herr Krüger, IT‑Berater“. Er ist und hat Haare. Er trägt eine Brille und hat Augen. Oder: „Frau Yilmaz, Kundin“. Sie ist und hat Haare. Bitte schreiben Sie auch die Haarfarbe: , oder . Wenn möglich, machen Sie ein Foto am Eingang. So finden wir die Person schnell und geben den Besucherausweis aus.
Meld bezoekers vóór de afspraak per e‑mail aan bij de receptie. We hebben de naam, het bedrijf en een korte beschrijving nodig.

Voorbeeld: „Meneer Krüger, IT‑adviseur“. Hij is lang en heeft kort haar. Hij draagt een bril en heeft blauwe ogen. Of: „Mevrouw Yilmaz, klant“. Zij is klein en heeft lang haar. Schrijf ook de haarkleur: blond, bruinharig of roodharig. Maak indien mogelijk een foto bij de ingang. Zo vinden we de persoon snel en geven we de bezoekerspas uit.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Hallo, ich bin am Empfang. Ich suche einen Kollegen. Er ist ein großer Mann mit kurzen schwarzen Haaren und einem Bart. Er trägt heute ein blaues Hemd.

Wen sucht die Sprecherin?

(Wie zoekt de spreekster?)
2. Hi, ich bin schon im Café. Ich sitze am Fenster. Ich trage einen schwarzen Pullover und habe lange braune Locken.

Woran erkennt man den Sprecher im Café?

(Waaraan herkent men de spreker in het café?)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Am Empfang: Der neue Kollege ___ sehr freundlich aus.

(Bij de receptie: De nieuwe collega ___ er heel vriendelijk uit.)

2. Auf dem Foto ___ eine blonde Frau sehr elegant aus.

(Op de foto ___ een blonde vrouw er heel elegant uit.)

3. Ich ___ der Security einen großen Mann mit Bart.

(Ik ___ de beveiliger een lange man met een baard.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Du bist am Empfang im Büro. Die Security fragt: „Wen besuchen Sie?“ Beschreibe die Person kurz, damit man sie findet. (Verwende: der Bart, groß, schwarze Haare)

(Je bent bij de receptie op kantoor. De beveiliging vraagt: „Wie komt u bezoeken?“ Beschrijf de persoon kort, zodat men hem kan vinden. (Gebruik: de baard, lang, zwart haar))

Er hat    

(Hij heeft ...)

Voorbeeld:

Er hat einen Bart und schwarze Haare. Er ist groß.

(Hij heeft een baard en zwart haar. Hij is lang.)

2. Du bist mit einer Kollegin auf einer Messe. Ihr sucht euren Chef in der Halle. Beschreibe ihn kurz. (Verwende: braunhaarig, klein, kurze Haare)

(Je bent met een collega op een beurs. Jullie zoeken jullie chef in de hal. Beschrijf hem kort. (Gebruik: bruinharig, klein, kort haar))

Er ist    

(Hij is ...)

Voorbeeld:

Er ist braunhaarig. Er ist klein und hat kurze Haare.

(Hij is bruinharig. Hij is klein en heeft kort haar.)

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Hi! Ich bin schon unten am Empfang. Ich sehe dich nicht. 🙈

Wie siehst du heute aus? Hast du kurze oder lange Haare? Trägst du eine Brille oder hast du einen Bart? Welche Farbe hat deine Jacke?

Danke!
Sarah


Hoi! Ik ben al beneden bij de receptie. Ik zie je niet. 🙈

Hoe zie je er vandaag uit? Heb je kort of lang haar? Draag je een bril of heb je een baard? Welke kleur heeft je jas?

Dank je!
Sarah


Nuttige zinnen:

  1. Ich bin die/der ... mit ...

    (Ik ben de ... met ...)

  2. Ich habe kurze/lange ... Haare und ...

    (Ik heb kort/lang ... haar en ...)

  3. Ich trage heute ... (z. B. eine schwarze Jacke / eine blaue Jacke)

    (Ik draag vandaag ... (bijv. een zwarte jas / een blauwe jas))

Hallo Sarah, ich bin der Mann mit der Brille. Ich habe kurze braune Haare und keinen Bart. Ich trage heute eine schwarze Jacke und eine blaue Tasche. Ich stehe neben dem Empfang.

Hallo Sarah, ik ben de man met de bril. Ik heb kort bruin haar en geen baard. Ik draag vandaag een zwarte jas en een blauwe tas. Ik sta naast de receptie.