Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Wie hoch ist der gesamte Betrag im Café?
Was soll Anna mit der Handynummer machen?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Im Kurs ___ ich laut von eins bis hundert.
(In de cursus ___ ik hardop van één tot honderd.)2. Im Supermarkt ___ die Kassiererin schnell bis tausend.
(In de supermarkt ___ de kassière snel tot duizend.)3. Wir ___ die Euro-Münzen: ein, zehn, zwanzig, fünfzig, hundert.
(Wij ___ de euromunten: één, tien, twintig, vijftig, honderd.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Du bist im Büro. Ein neuer Kollege fragt nach deiner Handynummer. Nenne deine Nummer langsam mit Zahlen. (Verwende: die Nummer, die Handynummer, von eins bis neun)
(Je bent op kantoor. Een nieuwe collega vraagt om je mobiele nummer. Noem je nummer langzaam, cijfer voor cijfer. (Gebruik: het nummer, het mobiele nummer, van één tot negen))Meine Nummer ist
(Mijn nummer is ...)Voorbeeld:
Meine Nummer ist null eins sieben, sechs zwei drei, vier fünf sechs sieben.
(Mijn nummer is nul één zeven, zes twee drie, vier vijf zes zeven.)2. Du bist im Supermarkt an der Kasse. Die Kassiererin sagt den Preis, aber du verstehst ihn nicht gut. Bitte sie, den Preis noch einmal langsam mit Zahlen zu sagen. (Verwende: der Preis, wie viel, noch einmal bitte)
(Je staat in de supermarkt bij de kassa. De kassière zegt de prijs, maar je verstaat het niet goed. Vraag haar de prijs nogmaals langzaam, cijfer voor cijfer, te zeggen. (Gebruik: de prijs, hoeveel, nogmaals alsjeblieft))Können Sie den
(Kunt u de ...)Voorbeeld:
Können Sie den Preis bitte noch einmal langsam sagen?
(Kunt u de prijs alstublieft nogmaals langzaam zeggen?)