Waar ga je naartoe?
Waar ga je naartoe?

Waar ga je naartoe?

Wo gehst du hin?


Der deutsche Fußballspieler "Julian Weigl" beantwortet Fragen. Er darf die Fragen aber nicht mit "ja" oder "nein" beantworten.
De Duitse voetballer "Julian Weigl" beantwoordt vragen. Hij mag de vragen echter niet met "ja" of "nee" beantwoorden.

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Woord Vertaling
Was? Wat?
Welches? Welke?
Wie? Hoe?
Wo? Waar?
Neunzig Sekunden für Julian Weig. (Negentig seconden voor Julian Weig.)
Erste Frage: Was darf man bei diesem Spiel nicht sagen? (Eerste vraag: Wat mag je bij dit spel niet zeggen?)
Zwei Wörter. (Twee woorden.)
Welche? (Welke?)
Die darf ich ja nicht sagen. (Die mag ik natuurlijk niet zeggen.)
Deswegen sage ich sie nicht. (Daarom zeg ik ze niet.)
Welches Trikot von uns magst du am liebsten: das gelbe oder das schwarze? (Welk shirt van ons vind je het mooist: het gele of het zwarte?)
Das schwarze. (Het zwarte.)
Wie gefällt es dir hier in Marbella? (Hoe bevalt het je hier in Marbella?)
Sehr, sehr gut. (Heel, heel goed.)

1. Was darf man bei dem Spiel nicht sagen?

(Wat mag je bij het spel niet zeggen?)

2. Welches Trikot mag Julian am liebsten?

(Welk shirt vindt Julian het mooist?)

3. Wie gefällt es Julian in Marbella?

(Hoe bevalt Marbella Julian?)

4. Warum sagt Julian die zwei Wörter nicht?

(Waarom zegt Julian de twee woorden niet?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Nina will das Haus verlassen, aber ihr Opa stellt ihr viele Fragen

Nina wil het huis verlaten, maar haar opa stelt haar veel vragen
1. Opa: Was machst du? (Wat doe je?)
2. Nina: Ich gehe mit einer Freundin einen Kaffee trinken. (Ik ga met een vriendin koffie drinken.)
3. Opa: Wo geht ihr Kaffee trinken? (Waar gaan jullie koffie drinken?)
4. Nina: In dem neuen Café an der Hauptstraße. (In het nieuwe café aan de hoofdstraat.)
5. Opa: Wer ist diese Freundin, mit der du gehst? (Wie is die vriendin met wie je gaat?)
6. Nina: Eine Arbeitskollegin von mir. (Een collega van mij.)
7. Opa: Wann bist du wieder hier? (Wanneer ben je weer hier?)
8. Nina: Ich weiß nicht, Opa. Ich bin erwachsen. Ist das ein Interview? (Ik weet het niet, opa. Ik ben volwassen. Is dit een interview?)
9. Opa: Es tut mir leid. Ich bin doch nur interessiert. (Het spijt me. Ik ben gewoon geïnteresseerd.)

1. Mit wem geht Nina Kaffee trinken?

(Met wie gaat Nina koffie drinken?)

2. Wo trinken Nina und ihre Freundin Kaffee?

(Waar drinken Nina en haar vriendin koffie?)