A1.6 - Je leeftijd zeggen - Oefeningen
Haal je boekOefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Toon antwoordenOefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Oefening 3:
Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Wann hat Laura Geburtstag?
2. Was macht Tim heute?
Oefening 4: Werkwoordsvervoegingen
Instructie: Kies de juiste oplossing
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Nächste Woche ___ ich 30 Jahre alt.
(Volgende week ___ ik 30 jaar oud.)2. ___ ihr am Samstag eine kleine Geburtstagsfeier?
(___ jullie zaterdag een klein verjaardagsfeest?)3. Ich ___ heute einen Kuchen für meinen Geburtstag vor.
(Ik ___ vandaag een taart voor mijn verjaardag voor.)
Oefening 5:
Dialoogbegrip
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Kleines Gespräch in der Kaffeeküche
Nina (Kollegin): Show Hallo, ich bin Nina. Wie alt bist du?
(Hallo, ik ben Nina. Hoe oud ben jij?)
Alex (neuer Kollege): Show Hallo Nina, ich bin 32 Jahre alt. Und du?
(Hallo Nina, ik ben 32 jaar oud. En jij?)
Nina (Kollegin): Show Ich bin 29. Mein Geburtstag ist im Mai, am 14. Mai.
(Ik ben 29. Mijn verjaardag is in mei, op 14 mei.)
Alex (neuer Kollege): Show Ah, dann: Herzlichen Glückwunsch im Mai!
(Ah, dan: van harte gefeliciteerd in mei!)
Open vragen:
1. Wie alt ist Alex?
Hoe oud is Alex?
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Du bist neu im Büro. In der Kaffeeküche stellt sich eine Kollegin vor und fragt nach deinem Alter. Antworte kurz und freundlich. (Verwende: Wie alt..., Ich bin..., Jahre alt)
(Je bent nieuw op kantoor. In de koffiekeuken stelt een collega zich voor en vraagt naar je leeftijd. Antwoord kort en vriendelijk. (Gebruik: Hoe oud..., Ik ben..., jaar oud))Ich bin Jahre alt.
(Ik ben ... jaar oud.)Voorbeeld:
Ich bin 32 Jahre alt.
(Ik ben 32 jaar oud.)2. Du lernst eine Person in einem Kurs kennen. Du willst höflich nach dem Alter fragen. Stelle die Frage kurz und freundlich. (Verwende: Wie alt..., du, bitte)
(Je leert iemand kennen in een cursus. Je wilt beleefd naar de leeftijd vragen. Stel de vraag kort en vriendelijk. (Gebruik: Hoe oud..., jij, alsjeblieft))Wie alt bist du ?
(Hoe oud ben je ...?)Voorbeeld:
Wie alt bist du, bitte?
(Hoe oud ben je, alsjeblieft?)