Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Wann hat Laura Geburtstag?
Was macht Tim heute?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Nächste Woche ___ ich 30 Jahre alt.
(Volgende week ___ ik 30 jaar oud.)2. ___ ihr am Samstag eine kleine Geburtstagsfeier?
(___ jullie zaterdag een klein verjaardagsfeest?)3. Ich ___ heute einen Kuchen für meinen Geburtstag vor.
(Ik ___ vandaag een taart voor mijn verjaardag voor.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Du bist neu im Büro. In der Kaffeeküche stellt sich eine Kollegin vor und fragt nach deinem Alter. Antworte kurz und freundlich. (Verwende: Wie alt..., Ich bin..., Jahre alt)
(Je bent nieuw op kantoor. In de koffiekeuken stelt een collega zich voor en vraagt naar je leeftijd. Antwoord kort en vriendelijk. (Gebruik: Hoe oud..., Ik ben..., jaar oud))Ich bin Jahre alt.
(Ik ben ... jaar oud.)Voorbeeld:
Ich bin 32 Jahre alt.
(Ik ben 32 jaar oud.)2. Du lernst eine Person in einem Kurs kennen. Du willst höflich nach dem Alter fragen. Stelle die Frage kurz und freundlich. (Verwende: Wie alt..., du, bitte)
(Je leert iemand kennen in een cursus. Je wilt beleefd naar de leeftijd vragen. Stel de vraag kort en vriendelijk. (Gebruik: Hoe oud..., jij, alsjeblieft))Wie alt bist du ?
(Hoe oud ben je ...?)Voorbeeld:
Wie alt bist du, bitte?
(Hoe oud ben je, alsjeblieft?)