Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Was sagt Anna über morgen?
Welche Information gibt Lukas?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ich ___ dreißig Jahre alt und feiere eine kleine Party.
(Ik ___ dertig en geef een klein feestje.)2. Am Samstag ___ wir meinen Geburtstag mit Freunden.
(Op zaterdag ___ we mijn verjaardag met vrienden.)3. Meine Schwester ___ eine Überraschungsparty für mich vor.
(Mijn zus ___ een verrassingsfeest voor mij voor.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Du bist neu im Büro. Ein Kollege fragt: „Wie alt bist du?“ Antworte kurz und freundlich. (Verwende: das Alter, Ich bin … Jahre alt, vielleicht: noch jung)
(Je bent nieuw op kantoor. Een collega vraagt: „Hoe oud ben je?” Beantwoord kort en vriendelijk. (Gebruik: de leeftijd, Ik ben … jaar, eventueel: nog jong))Ich bin Jahre alt.
(Ik ben ... jaar.)Voorbeeld:
Ich bin 35 Jahre alt.
(Ik ben 35 jaar.)2. Du bist im Sprachkurs. Ein Kursteilnehmer fragt dich: „Wann hast du Geburtstag?“ Antworte kurz. (Verwende: der Geburtstag, der Monat, am …)
(Je bent in de taalcursus. Een medecursist vraagt: „Wanneer ben je jarig?” Beantwoord kort. (Gebruik: de verjaardag, de maand, op …))Mein Geburtstag ist am
(Mijn verjaardag is op ...)Voorbeeld:
Mein Geburtstag ist am 3. Mai.
(Mijn verjaardag is op 3 mei.)