In der deutschen Quizshow "Blamieren oder Kassieren" wird ein Mathetrick gezeigt. Mit dem Trick kann man schnell die Zahlen von eins bis 100 addieren
In de Duitse quizshow "Blamieren oder Kassieren" wordt een wiskundetruc getoond. Met de truc kun je snel de getallen van één tot honderd optellen.

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Woord Vertaling
Von ... bis Van ... tot
Addieren Optellen
Eins Eén
Hundert Honderd
Zwei Twee
Fünfzig Vijftig
Ich darf heute einen Mathetrick vorstellen, mit dem man schnell die Zahlen von eins bis hundert addieren kann. (Ik mag vandaag een rekentruc laten zien waarmee je snel de getallen van één tot honderd bij elkaar kunt optellen.)
Den Trick stelle ich jetzt einfach vor. (Ik leg de truc nu gewoon uit.)
Man fängt ganz außen an. (Je begint helemaal aan de buitenkant.)
Man nimmt die zwei äußersten Zahlen und rechnet zuerst eins plus hundert. (Je neemt de twee buitenste getallen en rekent eerst één plus honderd.)
Das ist einhunderteins. (Dat is honderdeen.)
Dann rutscht man eine Zahl nach innen und addiert wieder diese beiden Zahlen. (Daarna schuif je één stap naar binnen en tel je opnieuw die twee getallen op.)
Man rechnet zwei plus neunundneunzig, was auch wieder einhunderteins ergibt. (Je rekent twee plus negenennegentig, wat ook weer honderdeen oplevert.)
Dann rutscht man erneut eine Zahl nach innen und rechnet drei plus achtundneunzig, was ebenfalls einhunderteins ergibt. (Vervolgens schuif je opnieuw één stap naar binnen en rekent drie plus achtentachtig?)
So macht man weiter, bis man in der Mitte angekommen ist. (Dat levert eveneens honderdeen op.)
Am Ende rechnet man fünfzig plus einundfünfzig, und das ergibt auch einhunderteins. (Zo ga je door totdat je in het midden bent aangekomen.)

1. Was zeigt die Person mit dem Mathetrick?

(Wat laat de persoon zien met de rekentruc?)

2. Mit welchen Zahlen beginnt man bei dem Trick?

(Met welke getallen begin je bij de truc?)

3. Was macht man, nachdem man eins plus hundert gerechnet hat?

(Wat doe je nadat je één plus honderd hebt uitgerekend?)

4. Welches Ergebnis haben die Paare in diesem Trick immer?

(Welk resultaat hebben de paren in deze truc altijd?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Zahlen und Einkaufen

Cijfers en winkelen
1. Thomas: Guten Morgen, wie viel kostet diese Hose? (Goedemorgen, hoeveel kost deze broek?)
2. Clara: Guten Morgen. Die Hose kostet elf Euro. (Goedemorgen. De broek kost elf euro.)
3. Thomas: Kannst du sie für sieben oder acht Euro verkaufen? (Kun je hem voor zeven of acht euro verkopen?)
4. Clara: Zehn Euro. Weniger nicht. (Tien euro. Niet minder.)
5. Thomas: Okay, dann nehme ich die Hose für zehn Euro. Wie viel kostet dieses T-Shirt? (Oké, dan neem ik de broek voor tien euro. Hoeveel kost dit T-shirt?)
6. Clara: Das T-Shirt kostet fünf Euro. (Het T-shirt kost vijf euro.)
7. Thomas: Einigen wir uns auf drei Euro? (Kunnen we afspreken op drie euro?)
8. Clara: Vier Euro! (Vier euro!)
9. Thomas: Das ist in Ordnung. Wenn wir das addieren, sind es vierzehn Euro. (Dat is goed. Als we het optellen, is het veertien euro.)

1. Lies den Dialog. Wo sind Thomas und Clara wahrscheinlich?

(Lees de dialoog. Waar zijn Thomas en Clara waarschijnlijk?)

2. Wie viel kostet die Hose am Anfang?

(Hoeveel kost de broek in het begin?)