A1.34 - Huishoudelijke apparaten
A1.34 - Huishoudelijke apparaten

A1.34 - Huishoudelijke apparaten - Spreken

Haushaltsgeräte


Übung: Gespreksoefening

  1. Benennen Sie jedes Gerät und wofür es verwendet wird. (Noem elk apparaat en waar het voor wordt gebruikt.)
  2. Nennen Sie, welche dieser Geräte Sie normalerweise verwenden. (Vertel welke van die apparaten je meestal gebruikt.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten