Bares für Rares“ ist eine bekannte deutsche Fernsehsendung, in der Menschen Dinge verkaufen können. In dieser Folge kommt ein älterer Herr, um Schmuck von seiner Frau zu verkaufen...
„Bares für Rares“ is een bekend Duits televisieprogramma waarin mensen dingen kunnen verkopen. In deze aflevering komt een oudere heer om sieraden van zijn vrouw te verkopen...

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Woord Vertaling
Herr Meneer
Frau Mevrouw
Mein Name ist Mijn naam is
Mein Vorname ist Mijn voornaam is
Bitteschön, der Herr. (Alstublieft, meneer.)
Schönen guten Tag, der Herr. (Een fijne goede dag, meneer.)
Guten Tag. (Goedendag.)
Darf ich vorstellen: Frau Doktor Heide Rezepa-Zabel. (Mag ik voorstellen: mevrouw dr. Heide Rezepa‑Zabel.)
Guten Tag. Mein Name ist Werner. (Goedendag. Mijn naam is Werner.)
Mein Vorname ist Werner. (Mijn voornaam is Werner.)
Ich komme aus Geldern-Walbeck. (Ik kom uit Geldern‑Walbeck.)
Walbeck ist ein Ortsteil von Geldern. (Walbeck is een wijk van Geldern.)
Geldern ist das Spargel Dorf. (Geldern is het aspergedorp.)
Ja, und damit seid ihr weit über die Grenzen berühmt geworden. (Ja, en daarmee zijn jullie ver buiten de grenzen beroemd geworden.)

1. Wie spricht man den Mann im Gespräch an?

(Hoe spreekt men de man in het gesprek aan?)

2. Wie heißt der Mann mit Vornamen?

(Hoe heet de man met voornaam?)

3. Wie wird Heide Rezepa-Zabel vorgestellt?

(Hoe wordt Heide Rezepa‑Zabel voorgesteld?)

4. Was sagt der Mann über seinen Wohnort?

(Wat zegt de man over zijn woonplaats?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Deinen Namen sagen

Je naam zeggen
1. Herr Peters: Guten Tag. (Goedendag.)
2. Frau Jörgens: Guten Tag. Willkommen bei uns in der Show. Wie heißen Sie? (Goedendag. Welkom in onze show. Hoe heet u?)
3. Herr Peters: Mein Name ist Peters. (Mijn achternaam is Peters.)
4. Frau Jörgens: Hallo Peter. Freut mich! (Hallo meneer Peters. Aangenaam!)
5. Herr Peters: Peters! Nicht Peter. Das ist mein Nachname.. (Peters, ja. Dat is mijn achternaam.)
6. Frau Jörgens: Okay, Entschuldigung. Und wie ist Ihr Vorname? (Oké, en wat is uw voornaam?)
7. Herr Peters: Mein Vorname ist Michael. (Mijn voornaam is Michael.)
8. Frau Jörgens: Alles klar, Herr Michael Peters. Schön, dass Sie heute hier sind. (Prima, meneer Peters. Fijn dat u vandaag hier bent.)
9. Herr Peters: Freut mich auch sehr, Frau ...? (Aangenaam ook, mevrouw...?)
10. Frau Jörgens: Jörgens. Katherina Jörgens heiße ich. (Jörgens. Ik heet Katherina Jörgens.)

1. Wo sind Herr Peters und Frau Jörgens?

(Waar zijn meneer Peters en mevrouw Jörgens?)

2. Wie heißt der Nachname von Michael?

(Wat is de achternaam van Michael?)