Ein Interiordesigner zeigt wie man den Tisch richtig deckt, damit alles ordentlich und schön aussieht.
Een interieurontwerper laat zien hoe je de tafel correct dekt, zodat alles netjes en mooi eruitziet.
Oefening 1: Taalonderdompeling
Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.
| Woord | Vertaling |
|---|---|
| Das Besteck | Het bestek |
| Das Messer | Het mes |
| Der Suppenlöffel | De soeplepel |
| Die Gabel | De vork |
| Der Dessertlöffel | De dessertlepel |
| Das Weißweinglas | Het wijnglas voor witte wijn |
| Das Rotweinglas | Het wijnglas voor rode wijn |
| Das Wasserglas | Het glas voor water |
1. Wo liegt das erste Messer?
(Waar ligt het eerste mes?)2. Wo liegt die Gabel für den Hauptgang?
(Waar ligt de vork voor het hoofdgerecht?)3. Wo liegt der Dessertlöffel?
(Waar ligt de dessertlepel?)4. Welches Glas kommt ganz zum Schluss auf den Tisch?
(Welk glas komt helemaal als laatste op tafel?)Oefening 2: Dialoog
Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.
Den Tisch für Gäste decken
De tafel dekken voor gasten
| 1. | Fabian: | Hilfst du mir, den Tisch zu decken? | (Help je me de tafel dekken?) |
| 2. | Sabrina: | Klar. Wie viele Gäste sind es denn nochmal? | (Natuurlijk. Met hoeveel gasten zijn het ook alweer?) |
| 3. | Fabian: | Mit uns beiden sind wir zwölf. Kannst du noch zwei Stühle holen? Hier stehen nur zehn. | (Met ons tweeën zijn we met z'n twaalven. Kun je nog twee stoelen halen? Hier staan er maar tien.) |
| 4. | Sabrina: | Mache ich sofort. Aber haben wir überhaupt so viele Gläser? | (Doe ik meteen. Maar hebben we eigenlijk wel genoeg glazen?) |
| 5. | Fabian: | Gläser sind, glaube ich, nicht das Problem. Ich bin mir aber unsicher, ob wir genug Löffel haben. | (Glazen zijn, denk ik, geen probleem. Ik weet alleen niet zeker of we genoeg lepels hebben.) |
| 6. | Sabrina: | Ich fange mal an, den Tisch zu decken. Dann merken wir schon, was fehlt. | (Ik begin alvast met het dekken van de tafel. Dan zien we wel wat er ontbreekt.) |
| 7. | Fabian: | Okay. Löffel, Gläser und Gabeln haben wir genug. Nur Messer haben wir zu wenig. | (Oké. Lepels, glazen en vorken hebben we genoeg. Alleen messen hebben we te weinig.) |
| 8. | Sabrina: | Ich kann bei den Nachbarn fragen, ob sie Messer für uns haben. | (Ik kan bij de buren vragen of ze messen voor ons hebben.) |
| 9. | Fabian: | Das wäre super. | (Dat zou fijn zijn.) |
| 10. | Sabrina: | Kannst du in der Zwischenzeit bitte darauf achten, dass die Gabeln links und die Löffel rechts vom Teller sind? | (Kun je ondertussen alsjeblieft letten op dat de vorken links en de lepels rechts van het bord liggen?) |
1. Was machen Fabian und Sabrina?
(Wat doen Fabian en Sabrina?)2. Wie viele Personen sind sie heute Abend mit Gästen und Gastgebern zusammen?
(Met hoeveel personen zijn ze vanavond inclusief gasten en gastheren?)