Für mehr Mobilität in deinen Sprunggelenken kannst du diese Übung machen.
Voor meer mobiliteit in je enkels kun je deze oefening doen.

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Woord Vertaling
Die Sprunggelenke De enkelgewrichten
Der Ausfallschritt De uitvalspas
Das Knie De knie
Die Ferse De hiel
Der Oberkörper Het bovenlichaam
Der Oberschenkel Het bovenbeen
Die Hände De handen
Um mobile Sprunggelenke zu bekommen, gehen wir in den Ausfallschritt auf den Boden. (Om mobiele enkelgewrichten te krijgen, nemen we een uitvalspas op de grond.)
Das linke Knie ist auf dem Boden. (De linkerknie ligt op de grond.)
Für maximale Mobilität schieben wir das rechte Knie so weit wie möglich nach vorne. (Voor maximale mobiliteit duwen we de rechterknie zo ver mogelijk naar voren.)
Die Ferse bleibt auf dem Boden. (De hiel blijft op de grond.)
Wir legen den Oberkörper auf das Knie und nehmen die Hände nach vorne. (We leggen het bovenlichaam op de knie en brengen de handen naar voren.)
Das Gewicht des Oberkörpers hilft uns, an die Bewegungsgrenze zu kommen. (Het gewicht van het bovenlichaam helpt ons de bewegingsgrens te bereiken.)
Dann geht die Ferse so hoch wie möglich. (Vervolgens wordt de hiel zo hoog mogelijk opgetild.)
Und danach wieder runter. (En daarna weer omlaag.)

1. Wo ist das linke Knie bei dieser Übung?

(Waar is de linkerknie bij deze oefening?)

2. Was bleibt bei der Übung auf dem Boden?

(Wat blijft bij de oefening op de grond?)

3. Wohin nehmen die Hände bei der Übung?

(Waarheen brengen de handen zich bij de oefening?)

4. Was hilft, an die Bewegungsgrenze zu kommen?

(Wat helpt om de bewegingsgrens te bereiken?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Niklas im Fitnessstudio: Kniebeugen und Schmerzen am Fuß

Niklas in de sportschool: squats en pijn aan de voet
1. Niklas: Genau so! Stell deine Füße nach vorne. (Precies zo! Zet je voeten naar voren.)
2. Fenja: Sind meine Füße so richtig? (Staan mijn voeten zo goed?)
3. Niklas: Ja, gut. Dein Rücken ist auch gerade. (Ja, prima. Je rug is ook recht.)
4. Fenja: Mein rechter Fuß tut aber weh. (Maar mijn rechtervoet doet pijn.)
5. Niklas: Seit wann tut er weh? (Sinds wanneer doet-ie pijn?)
6. Fenja: Ich habe seit heute Morgen Schmerzen. (Ik heb er sinds vanmorgen pijn aan.)
7. Niklas: Fühlst du es nur im Fuß? (Voel je het alleen in de voet?)
8. Fenja: Nein, im Fuß und im Bein. (Nee, in de voet en in het been.)
9. Niklas: Ich drücke den Fuß jetzt. (Ik druk nu op je voet.)
10. Fenja: Das tut ein bisschen weh. (Dat doet een beetje pijn.)
11. Niklas: Ein leichtes Drücken ist normal. Wenn es zu doll weh tut, sag: ‚Stopp‘. (Een lichte druk is normaal. Als het te veel pijn doet, zeg dan: ‘Stop’.)

1. Wer korrigiert die Übung im Text?

(Wie corrigeert de oefening in de tekst?)

2. Was sagt Fenja über ihre Schmerzen?

(Wat zegt Fenja over haar pijn?)