Oefening 1: Taalonderdompeling
Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.
| Woord | Vertaling |
|---|---|
| Die Kartoffeln | De aardappelen |
| Die Zwiebel | De ui |
| Etwas Essig | Een beetje azijn |
| Rinderbrühe | Runderbouillon |
| Gemüsebrühe | Groentebouillon |
| Eine Prise Salz | Een snufje zout |
1. Was wird in dem Rezept zubereitet?
(Wat wordt er in het recept klaargemaakt?)2. Wie sind die Kartoffeln, bevor sie geschnitten werden?
(Hoe zijn de aardappelen voordat ze gesneden worden?)3. Welche Flüssigkeit wird zu den Kartoffeln gegeben?
(Welke vloeistof wordt aan de aardappelen toegevoegd?)4. Welche Gewürze werden zuletzt genannt?
(Welke kruiden worden als laatste genoemd?)Oefening 2: Dialoog
Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.
Maja und Timon: Abendessen planen
| 1. | Timon: | Und, was hast du heute zum Mittagessen dabei? | (En, wat heb je vandaag als lunch bij je?) |
| 2. | Maja: | Heute habe ich leider nur ein Brot mit Käse dabei. Aber ich möchte mir heute Abend unbedingt etwas Richtiges kochen. | (Vandaag heb ik helaas alleen een boterham met kaas bij me. Maar vanavond wil ik echt iets lekkers klaarmaken.) |
| 3. | Timon: | Was willst du kochen? Hast du schon ein Rezept im Kopf? | (Wat wil je koken? Heb je al een recept in gedachten?) |
| 4. | Maja: | Ja, ich möchte einen Kartoffelsalat machen. Ich habe noch ein altes Rezept von meiner Oma. | (Ja, ik wil een aardappelsalade maken. Ik heb nog een oud recept van mijn oma.) |
| 5. | Timon: | Hast du schon alles zu Hause, was du für den Kartoffelsalat brauchst? | (Heb je thuis al alles wat je voor de aardappelsalade nodig hebt?) |
| 6. | Maja: | Öl, Salz, Pfeffer und Kartoffeln habe ich auf jeden Fall zu Hause. | (Olie, zout, peper en aardappelen heb ik in elk geval thuis.) |
| 7. | Timon: | Aber Kartoffelsalat ist ja nur eine Beilage. Was isst du dazu? | (Maar aardappelsalade is toch maar een bijgerecht. Wat eet je erbij?) |
| 8. | Maja: | Das weiß ich noch nicht genau. Vielleicht kaufe ich auf dem Heimweg ein gutes Stück Fleisch. | (Dat weet ik nog niet precies. Misschien koop ik op de terugweg een mooi stuk vlees.) |
| 9. | Timon: | Brauchst du denn keine Kräuter für den Kartoffelsalat? | (Heb je dan geen kruiden nodig voor de aardappelsalade?) |
| 10. | Maja: | Das Rezept ist ohne Kräuter, aber du hast recht: Petersilie passt sehr gut zu Kartoffelsalat. | (Het recept is zonder kruiden, maar je hebt gelijk: peterselie past heel goed bij aardappelsalade.) |
| 11. | Timon: | Dann solltest du noch Petersilie kaufen. | (Dan moet je nog peterselie kopen.) |
1. Was hat Maja heute zum Mittagessen dabei?
(Wat heeft Maja vandaag als lunch bij zich?)2. Was plant Maja für das Abendessen?
(Wat plant Maja voor het avondeten?)