Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Mir gefällt das gelbe T-Shirt sehr. (Ik vind het gele T-shirt heel leuk.)
Welche Farbe hat dein Auto — blau oder grau? (Welke kleur heeft je auto — blauw of grijs?)
Ich mag die grüne Tasche nicht. (Ik hou niet van de groene tas.)
Die Wand im Büro ist jetzt weiß. (De muur op kantoor is nu wit.)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Farben im Büro: Hinweis vom Gebäudeservice

Vul de lege plekken in: lila, grün, rosa, orange, weiß, grau, Farbe, Farbmuster, gefällt, rot, gelb, blau, gefällt

(Kleuren op kantoor: bericht van de gebouwendienst)

Hinweis vom Gebäudeservice

Nächste Woche wird im 3. Stock der Meetingraum gestrichen. Die Wand hinter dem Bildschirm bekommt eine neue , damit der Raum heller wirkt. Bitte lassen Sie am Montag die Regale frei und stellen Sie keine Stühle an die Wand. Der Raum ist am Montag und Dienstag geschlossen.

Im Flur hängt eine Karte mit . Sie können kurz sagen, welche Farbe Ihnen . Zur Auswahl stehen: , , , , , , , und . Wenn Ihnen eine Farbe nicht , ist das auch okay. Schreiben Sie bitte bis Freitag eine kurze Nachricht an das Team „Service“.
Bericht van de gebouwendienst

Volgende week wordt op de 3e verdieping de vergaderruimte geschilderd. De muur achter het scherm krijgt een nieuwe kleur, zodat de ruimte lichter lijkt. Laat op maandag alstublieft de rekken vrij en zet geen stoelen tegen de muur. De ruimte is op maandag en dinsdag gesloten.

In de gang hangt een kaart met kleurstalen. U kunt kort zeggen welke kleur u bevalt. U kunt kiezen uit: blauw, grijs, groen, geel, oranje, roze, paars, rood en wit. Als een kleur u niet bevalt, is dat ook goed. Schrijf alstublieft uiterlijk vrijdag een kort bericht aan het team „Service“.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Hallo, ich bin im Laden und schaue T-Shirts an. Das gelbe T-Shirt gefällt mir sehr, aber das rote gefällt mir nicht. Ich nehme das gelbe in Größe M.

Welches T-Shirt kauft die Frau?

(Welk T-shirt koopt de vrouw?)
2. Hi, ich bin im Baumarkt. Die weiße Farbe ist heute im Angebot, die graue ist teurer. Mir gefällt Weiß besser, ich nehme zwei Eimer.

Welche Farbe nimmt der Mann?

(Welke kleur neemt de man?)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ich ___ die blaue Jacke für die Arbeit.

(Ik ___ van het blauwe jasje voor het werk.)

2. Wir ___ die weißen Tassen im Büro.

(Wij ___ van de witte kopjes op kantoor.)

3. ___ ihr das grüne Sofa im Wohnzimmer?

(___ jullie van de groene bank in de woonkamer?)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Du bist in einem Möbelhaus und suchst einen Stuhl für dein Homeoffice. Der Verkäufer fragt nach der Farbe. Antworte kurz und freundlich. (Nutze: die Farbe, blau, grau)

(Je bent in een meubelzaak en je zoekt een stoel voor je thuiskantoor. De verkoper vraagt naar de kleur. Antwoord kort en vriendelijk. (Gebruik: de kleur, blauw, grijs))

Die Farbe ist    

(De kleur is ...)

Voorbeeld:

Die Farbe ist grau oder blau, bitte.

(De kleur is grijs of blauw, alstublieft.)

2. Im Büro sollt ihr T-Shirts für eine Messe auswählen. Eine Kollegin fragt: „Gefällt dir das grüne T‑Shirt?“ Antworte kurz. (Nutze: gefallen, sehr, nicht)

(Op kantoor moeten jullie T-shirts voor een beurs uitkiezen. Een collega vraagt: „Vind je het groene T‑shirt mooi?“ Antwoord kort. (Gebruik: bevallen, heel erg, niet))

Das gefällt mir    

(Dat bevalt me ...)

Voorbeeld:

Das grüne T‑Shirt gefällt mir sehr.

(Het groene T‑shirt bevalt me heel erg.)

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Hi! Ich bin gerade im Möbelgeschäft. Ich möchte zwei Kissen für unser Wohnzimmer kaufen.

Unsere Couch ist grau. Hier gibt es Kissen in blau, grün und gelb. Welche Farbe passt gut? Welche Farbe magst du nicht?

Viele Grüße
Lea


Hoi! Ik ben nu in de meubelwinkel. Ik wil twee kussens voor onze woonkamer kopen.

Onze bank is grijs. Hier zijn kussens in blauw, groen en geel. Welke kleur past goed? Welke kleur vind je niet mooi?

Veel groetjes
Lea


Nuttige zinnen:

  1. Mir gefällt ... (sehr).

    (Ik vind ... (erg) mooi.)

  2. Mir gefällt ... nicht.

    (Ik vind ... niet mooi.)

  3. Ich mag ...

    (Ik hou van ...)

Hi Lea, danke! Mir gefallen die blauen Kissen sehr. Gelb gefällt mir nicht. Grün ist auch okay. Bitte nimm zwei blaue Kissen. Liebe Grüße!

Hoi Lea, bedankt! Ik vind de blauwe kussens erg mooi. Geel vind ik niet mooi. Groen is ook oké. Neem alsjeblieft twee blauwe kussens. Lieve groetjes!