A1.12 - Seizoenen, maanden en delen van het jaar
A1.12 - Seizoenen, maanden en delen van het jaar

A1.12 - Seizoenen, maanden en delen van het jaar - Oefeningen

Jahreszeiten, Monate und Teile des Jahres


Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Im Juli mache ich einen Ausflug ans Meer. (In juli maak ik een uitstapje naar zee.)
Im Frühling beginne ich wieder mehr draußen zu sein. (In de lente begin ik weer meer buiten te zijn.)
Nächste Woche ist mein Geburtstag im März. (Volgende week is mijn verjaardag in maart.)
Ich bevorzuge den Winter, weil ich Ruhe mag. (Ik geef de voorkeur aan de winter, omdat ik van rust houd.)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Hinweis im Büro: Termine und Ausflüge im Jahr

Vul de lege plekken in: Sommer, Mai, Frühling, Ausflug, Juli, beginnen, Winter, April

(Mededeling op kantoor: afspraken en uitstapjes in het jaar)

Büro-Info: Unser Team plant Termine für das ganze Jahr. Im viele Projekte. Im und ist das Wetter oft mild, im ist es warm. Bitte prüfen Sie Ihre Urlaubszeiten früh.

Zur Planung: Im machen wir einen . Im September beginnt eine neue Schulungsrunde. Der ist oft kalt; im Dezember ist das Büro zwischen den Feiertagen weniger besetzt. Wenn Sie im Januar oder Februar reisen, rechnen Sie bitte mit Schnee und längeren Fahrzeiten.
Kantoorinfo (stand: maart): Ons team plant afspraken voor het hele jaar. In de lente beginnen veel projecten. In april en mei is het weer vaak zacht, in de zomer is het warm. Controleer uw vakantiedata vroeg.

Voor de planning: In juli maken we een uitstapje. In september begint een nieuwe trainingsronde. De winter is vaak koud; in december is het kantoor tussen de feestdagen minder bezet. Als u in januari of februari reist, houd dan rekening met sneeuw en langere reistijden.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Hallo, hier ist Anna. Mein Geburtstag ist am zehnten März. Nächste Woche im Frühling mache ich einen Ausflug nach Potsdam, aber nur wenn das Wetter gut ist.

Worüber spricht Anna auch?

(Waarover spreekt Anna ook?)
2. Guten Morgen! Morgen ist Donnerstag, der zwölfte Juli. Um 18 Uhr beginnt unser Sommerfest im Hof des Büros, und um 20 Uhr essen wir zusammen.

Wann beginnt das Sommerfest?

(Wanneer begint het zomerfeest?)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Im März ___ ich mich auf meinen Geburtstag am 10. März.

(In maart ___ ik me op mijn verjaardag op 10 maart.)

2. Im April ___ in Deutschland oft der Frühling.

(In april ___ in Duitsland vaak de lente.)

3. Nächste Woche ___ ich für den Ausflug den Samstag, weil das Wetter besser sein soll.

(Volgende week ___ ik voor het uitstapje de voorkeur aan zaterdag, omdat het weer beter zou moeten zijn.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Im Büro plant dein Team einen kleinen Ausflug. Eine Kollegin fragt: „In welcher Jahreszeit ist es gut?“ Antworte kurz. (Verwende: die Jahreszeit, im Sommer, im Winter)

(Op kantoor plant je team een klein uitstapje. Een collega vraagt: „In welk seizoen is het goed?” Antwoord kort. (Gebruik: het seizoen, in de zomer, in de winter))

In der Jahreszeit    

(In het seizoen ...)

Voorbeeld:

In der Jahreszeit Sommer ist ein Ausflug gut. Im Winter ist es oft kalt.

(In het seizoen zomer is een uitstapje goed. In de winter is het vaak koud.)

2. Du möchtest einen Termin beim Friseur machen. Die Person am Telefon fragt: „In welchem Monat passt es?“ Antworte und nenne einen Monat. (Verwende: der Monat, im Mai, im Oktober)

(Je wilt een afspraak maken bij de kapper. De persoon aan de telefoon vraagt: „In welke maand past het?” Antwoord en noem een maand. (Gebruik: de maand, in mei, in oktober))

Im Monat    

(In de maand ...)

Voorbeeld:

Im Monat Mai passt es gut. Am Vormittag habe ich Zeit.

(In de maand mei past het goed. ’s Ochtends heb ik tijd.)

Oefening 7: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen: In welke maanden heeft u afspraken of vakantie, en welk seizoen verkiest u?

Nuttige uitdrukkingen:

Im ... habe ich ... / Im ... ist es oft ... / Ich bevorzuge ... / Im ... mache ich ...