Vocabulaire (11)
Leren (apprendre)
Onvoltooid verleden tijd (OVT)
| (ik) leerde |
| (jij/je) leerde |
| (hij/zij/ze/het) leerde |
| (wij/we) leerden |
| (jullie) leerden |
| (zij/ze) leerden |
Zich inschrijven (s'inscrire)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb me ingeschreven |
| (jij/je) hebt je ingeschreven |
| (hij/zij/ze/het) heeft zich ingeschreven |
| (wij/we) hebben ons ingeschreven |
| (jullie) hebben je ingeschreven |
| (zij/ze) hebben zich ingeschreven |
houden van (aimer)
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
| (ik) houd van |
| (jij/je) houdt van |
| (hij/zij/ze/het) houdt van |
| (wij/we) houden van |
| (jullie) houden van |
| (zij/ze) houden van |