1. Immersion linguistique

2. Vocabulaire (11)

Het winkelcentrum

Het winkelcentrum Montrer

Le centre commercial Montrer

De cadeauwinkel

De cadeauwinkel Montrer

La boutique de cadeaux Montrer

De fruitwinkel

De fruitwinkel Montrer

La primeur Montrer

De bakkerij

De bakkerij Montrer

La boulangerie Montrer

Het kapsalon

Het kapsalon Montrer

Le salon de coiffure Montrer

De kledingzaak

De kledingzaak Montrer

Le magasin de vêtements Montrer

De schoenmaker

De schoenmaker Montrer

Le cordonnier Montrer

De fietsenmaker

De fietsenmaker Montrer

Le réparateur de vélos Montrer

De slager

De slager Montrer

Le boucher / la boucherie Montrer

De verkoper

De verkoper Montrer

Le vendeur Montrer

De klant

De klant Montrer

Le client Montrer

4. Exercices

Exercice 1: Préparation à l'examen

Instruction: Lisez le texte, comblez les lacunes avec les mots manquants et répondez aux questions ci-dessous


Een nieuwe buurt verkennen

Mots à utiliser: verkoper, bakkerij, winkelcentrum, kledingzaak, fietsenmaker, winkelcentrum, kapsalon, fruitwinkel, schoenmaker

(Explorer un nouveau quartier)

Sara komt uit Spanje en werkt sinds een paar maanden in Nederland. Ze woont nu in een appartement naast een groot . In het weekend gaat ze vaak lopend naar het .

Binnen in het winkelcentrum zijn veel lokale diensten en winkels. Rechts is de . Daar koopt Sara op zaterdag vers brood en soms een taart. Naast de bakkerij zit de . Daar verkoopt een vriendelijke appels en bananen. Aan de andere kant van de gang is de . Daar zoekt Sara een nette broek voor haar werk.

Buiten, rond het winkelcentrum, zijn ook kleine zaken. Tegen de muur van de staan veel fietsen. Sara bracht haar fiets vorige week naar de fietsenmaker, omdat haar band lek was. Schuin tegenover de fietsenmaker is de . Daar liet ze haar laarzen repareren.

Aan de voorkant van het winkelcentrum is ook een . Vanuit haar appartement ziet Sara het licht van het kapsalon. Ze maakte online een afspraak, omdat ze er netjes uit wil zien voor een belangrijk overleg op haar werk.

Sara vindt het fijn dat alle winkels zo dicht bij elkaar zijn. Ze zegt vaak: ‘Ik hoef bijna nooit naar de stad, alles is hier in het winkelcentrum.’
Sara vient d’Espagne et travaille aux Pays-Bas depuis quelques mois. Elle habite maintenant dans un appartement à côté d’un grand centre commercial. Le week-end, elle se rend souvent à pied au centre commercial.

À l’intérieur du centre commercial, il y a de nombreux services et magasins locaux. À droite se trouve la boulangerie. Là, Sara achète du pain frais le samedi et parfois un gâteau. À côté de la boulangerie se trouve la boutique de fruits. Là, un vendeur sympathique vend des pommes et des bananes. De l’autre côté du couloir se trouve la boutique de vêtements. Là, Sara cherche un pantalon élégant pour le travail.

À l’extérieur, autour du centre commercial, il y a aussi de petites boutiques. Le long du mur de l’atelier de réparation de vélos, il y a beaucoup de vélos. Sara a apporté son vélo chez le réparateur la semaine dernière parce que sa chambre à air était crevée. En diagonale, en face du réparateur de vélos, se trouve le cordonnier. Là, elle a fait réparer ses bottes.

À l’avant du centre commercial, il y a aussi un salon de coiffure. Depuis son appartement, Sara voit la lumière du salon de coiffure. Elle a pris rendez-vous en ligne parce qu’elle veut être bien présentable pour une réunion importante au travail.

Sara aime que tous les magasins soient si proches les uns des autres. Elle dit souvent : « Je n’ai presque jamais besoin d’aller en ville, tout est ici dans le centre commercial. »

  1. Waarom vindt Sara het fijn om naast het winkelcentrum te wonen?

    (Pourquoi Sara aime-t-elle habiter à côté du centre commercial ?)

  2. Wat laat Sara doen bij de fietsenmaker en bij de schoenmaker?

    (Qu’est-ce que Sara a fait réparer chez le réparateur de vélos et chez le cordonnier ?)

  3. Welke winkels gebruikt Sara om zich voor te bereiden op haar werk, en waarvoor gebruikt ze die?

    (Quels magasins Sara utilise-t-elle pour se préparer pour son travail, et à quelles fins les utilise-t-elle ?)

Exercice 2: Choix multiple

Instruction: Choisissez la bonne solution

1. Gisteren ___ de verkoper me een goede korting bij de kledingzaak.

(Hier, ___ le vendeur m'a fait une bonne réduction chez le magasin de vêtements.)

2. Vorige week ___ ik een cadeau in de cadeauwinkel vlakbij het winkelcentrum.

(La semaine dernière, ___ j'ai acheté un cadeau dans la boutique de cadeaux près du centre commercial.)

3. We hebben gisteren in het winkelcentrum ___; er waren veel mensen binnen.

(Nous avons fait du shopping hier dans le centre commercial ___ ; il y avait beaucoup de monde à l'intérieur.)

4. Als ik meer tijd had, ___ ik vaker bij de slager kopen.

(Si j'avais plus de temps, ___ j'achèterais plus souvent chez le boucher.)

Exercice 3: Cartes de dialogue

Instruction: Choisissez une situation et entraînez-vous à la conversation avec votre professeur ou vos camarades.

Exercice 4: Répondez à la situation

Instruction: Exercez-vous par deux ou avec votre enseignant.

1. Je bent in het winkelcentrum en wilt brood kopen. Vraag aan de bakker wat er vandaag vers is en of ze ook volkorenbrood hebben. (Gebruik: de bakkerij, vers, volkorenbrood)

(Vous êtes au centre commercial et souhaitez acheter du pain. Demandez au boulanger ce qui est frais aujourd'hui et s'ils ont aussi du pain complet. (Utilisez : la boulangerie, frais, pain complet))

In de bakkerij vraag ik  

(À la boulangerie, je demande ...)

Exemple:

In de bakkerij vraag ik altijd wat er vandaag vers is en of ze volkorenbrood hebben, omdat ik gezond wil eten.

(À la boulangerie, je demande toujours ce qui est frais aujourd'hui et s'ils ont du pain complet, parce que je veux manger sainement.)

2. Je wilt een cadeau kopen in de cadeauwinkel voor een collega. Vraag de verkoper om advies en vertel wat voor soort cadeau je zoekt. (Gebruik: de cadeauwinkel, de verkoper, cadeauadvies)

(Vous voulez acheter un cadeau dans la boutique de cadeaux pour un collègue. Demandez conseil au vendeur et expliquez quel type de cadeau vous cherchez. (Utilisez : la boutique de cadeaux, le vendeur, conseil cadeau))

Bij de cadeauwinkel vraag ik  

(À la boutique de cadeaux, je demande ...)

Exemple:

Bij de cadeauwinkel vraag ik de verkoper om advies voor een origineel cadeau voor mijn collega, die van kunst houdt.

(À la boutique de cadeaux, je demande au vendeur un conseil pour un cadeau original pour mon collègue, qui aime l'art.)

3. Je fiets is kapot en je belt de fietsenmaker om een afspraak te maken. Leg kort uit wat er kapot is en vraag wanneer hij tijd heeft. (Gebruik: de fietsenmaker, afspraak maken, reparatie)

(Votre vélo est en panne et vous appelez le réparateur de vélos pour prendre rendez-vous. Expliquez brièvement ce qui est cassé et demandez quand il est disponible. (Utilisez : le réparateur de vélos, prendre rendez-vous, réparation))

Ik bel de fietsenmaker om  

(J'appelle le réparateur de vélos pour ...)

Exemple:

Ik bel de fietsenmaker om een afspraak te maken, want mijn fietsremmen werken niet goed en ik wil het snel laten repareren.

(J'appelle le réparateur de vélos pour prendre rendez-vous, car mes freins ne fonctionnent pas bien et je veux que ce soit réparé rapidement.)

4. Je bent in de kledingzaak en wilt een jas passen. Vraag de verkoper om hulp en vertel welke maat je zoekt. (Gebruik: de kledingzaak, maat, hulp vragen)

(Vous êtes dans le magasin de vêtements et souhaitez essayer une veste. Demandez de l'aide au vendeur et dites quelle taille vous cherchez. (Utilisez : le magasin de vêtements, taille, demander de l'aide))

In de kledingzaak vraag ik  

(Dans le magasin de vêtements, je demande ...)

Exemple:

In de kledingzaak vraag ik de verkoper om hulp bij het vinden van een jas in maat M die warm en mooi is.

(Dans le magasin de vêtements, je demande au vendeur de l'aide pour trouver une veste en taille M qui soit chaude et jolie.)

5. Je bent bij het kapsalon en wilt je haar laten knippen. Leg uit hoe je het wilt en vraag of ze ook advies kunnen geven. (Gebruik: het kapsalon, knippen, advies)

(Vous êtes au salon de coiffure et souhaitez vous faire couper les cheveux. Expliquez comment vous voulez la coupe et demandez s'ils peuvent aussi vous donner un conseil. (Utilisez : le salon de coiffure, couper, conseil))

Bij het kapsalon zeg ik  

(Au salon de coiffure, je dis ...)

Exemple:

Bij het kapsalon zeg ik dat ik mijn haar kort wil laten knippen en vraag of ze advies hebben over een kapsel dat makkelijk is om te verzorgen.

(Au salon de coiffure, je dis que je veux une coupe courte et je demande s'ils ont un conseil pour une coiffure facile à entretenir.)

Exercice 5: Exercice d'écriture

Instruction: Écris 5 ou 6 phrases sur les services et magasins de ton quartier et dis où tu vas généralement et pourquoi.

Expressions utiles:

In mijn buurt is/zijn … / Ik ga vaak naar … omdat … / Naast … is er ook … / Ik vind het handig dat …

Oefening 6: Exercice de conversation

Instructie:

  1. Beschrijf waar de mensen zijn en welke winkel ze bezoeken. (Décrivez où se trouvent les personnes et quel magasin elles visitent.)
  2. Zeg wat je meestal in deze winkels koopt. (Dites ce que vous achetez habituellement dans ces magasins.)

Directives pédagogiques +/- 10 minutes

Exemples de phrases:

Ze is bij de wasserette omdat ik mijn kleren moet wassen.

Elle est à la laverie parce que je dois laver mes vêtements.

Hij gaat naar de groenteboer omdat hij verse appels wil.

Il va chez le primeur parce qu'il veut des pommes fraîches.

Ze is bij de slager om kip voor het avondeten te kopen.

Elle est chez le boucher pour acheter du poulet pour le dîner.

Ze bezoeken de schoenmaker omdat hun schoenen kapot zijn.

Ils rendent visite au cordonnier parce que leurs chaussures sont abîmées.

Ik ben in de kledingwinkel en de winkelmedewerker laat me een jas zien.

Je suis dans le magasin de vêtements et la vendeuse me montre une veste.

We kopen een klein boeket bij de bloemist voordat we een vriend bezoeken.

Nous achetons un petit bouquet chez le fleuriste avant de rendre visite à un ami.

...