A2.18 - Visitez la campagne
Bezoek het platteland
1. Immersion linguistique
A2.18.1 Activité
Marcher sur la vase ! C'est délirant !
3. Grammaire
4. Exercices
Exercice 1: Rédiger de la correspondance
Instruction: Rédigez une réponse au message suivant appropriée à la situation
E-mail: Vous recevez un e-mail d’un petit hôtel à la campagne avec des informations sur un week-end ; répondez en posant des questions et en racontant vos projets.
Beste gast,
Bedankt voor uw interesse in Hotel De Paardenwei in ons rustige dorp. Ons hotel ligt midden in de natuur, naast een kleine boerderij met koeien, schapen en kippen. U kunt daar helpen met het voeden van de dieren.
In het weekend organiseren we een korte fietstocht langs een oude molen en door de wei. Heeft u nog vragen over activiteiten of vervoer vanaf het station?
Met vriendelijke groet,
Marieke Jansen
Hotel De Paardenwei
Cher/Chère client(e),
Merci pour votre intérêt pour Hôtel De Paardenwei dans notre paisible village. Notre hôtel est situé au cœur de la nature, à côté d’une petite ferme avec des vaches, des moutons et des poules. Vous pouvez y aider à nourrir les animaux.
Le week-end, nous organisons une courte balade à vélo le long d’un vieux moulin et à travers la prairie. Avez-vous des questions sur les activités ou le transport depuis la gare ?
Cordialement,
Marieke Jansen
Hôtel De Paardenwei
Comprendre le texte:
-
Wat kun je doen op of bij de boerderij als je in Hotel De Paardenwei logeert?
(Que pouvez‑vous faire à la ferme ou près de la ferme si vous séjournez à l’Hôtel De Paardenwei ?)
-
Welke vragen stelt Marieke in haar e-mail aan de gast?
(Quelles questions Marieke pose‑t‑elle dans son e‑mail au client ?)
Phrases utiles:
-
Bedankt voor uw e-mail over het weekend op het platteland.
(Merci pour votre e-mail au sujet du week-end à la campagne.)
-
Ik heb nog een vraag over...
(J’ai encore une question au sujet de...)
-
Ik kom graag naar uw hotel en wil graag weten...
(Je viendrai volontiers dans votre hôtel et j’aimerais savoir...)
Bedankt voor uw e-mail over Hotel De Paardenwei. Het klinkt heel leuk in uw dorp.
Ik heb nog een paar vragen. Hoe kom ik van het station naar uw hotel? Is er een bus of moet ik een taxi nemen? En wanneer is de fietstocht langs de molen, op zaterdag of zondag? Moet ik zelf een fiets meenemen of kan ik er één huren bij u?
Ik kom waarschijnlijk in het weekend van 12 mei. Ik hoor graag van u.
Met vriendelijke groet,
[Je naam]
Chère Madame Jansen,
Merci pour votre e-mail concernant l’Hôtel De Paardenwei. Cela a l’air très agréable dans votre village.
J’ai encore quelques questions. Comment puis‑je me rendre de la gare jusqu’à votre hôtel ? Y a‑t‑il un bus ou dois‑je prendre un taxi ? Et quand a lieu la balade à vélo le long du moulin, le samedi ou le dimanche ? Dois‑je apporter mon propre vélo ou puis‑je en louer un chez vous ?
Je viendrai probablement le week‑end du 12 mai. J’attends votre réponse avec intérêt.
Cordialement,
[Votre nom]
Exercice 2: Choix multiple
Instruction: Choisissez la bonne solution
1. Volgend weekend ___ ik het platteland ontdekken en een oude boerderij bezoeken.
(Le week-end prochain ___ je découvrirai la campagne et visiterai une vieille ferme.)2. Mijn collega ___ mij morgen een mooie dorpsstraat laten zien en samen zullen we ook de molen ontdekken.
(Mon collègue ___ me montrera demain une jolie rue du village et nous découvrirons aussi le moulin ensemble.)3. Tijdens onze vakantie ___ ik elke ochtend de dieren op de boerderij voeden.
(Pendant nos vacances ___ je nourrirai tous les matins les animaux de la ferme.)4. De boer ___ in de namiddag de koeien in de wei voeden en daarna zal hij zijn gasten het dorp laten ontdekken.
(Le fermier ___ nourrira les vaches dans le pré l'après-midi, puis il fera découvrir le village à ses invités.)Exercice 3: Cartes de dialogue
Instruction: Choisissez une situation et entraînez-vous à la conversation avec votre professeur ou vos camarades.
Weekendje naar een boerderij in Drenthe
Ahmed: Montrer Marieke, ik wil dit weekend even weg uit de stad; ken jij een mooi dorp op het platteland?
(Marieke, ce week-end j'ai envie de quitter la ville ; connais‑tu un joli village à la campagne ?)
Collega Marieke: Montrer Ja, ga eens naar Dwingeloo in Drenthe, daar heb je een oude boerderij met een grote wei en veel natuur.
(Oui, va à Dwingeloo, en Drenthe : il y a une vieille ferme avec une grande prairie et beaucoup de nature.)
Ahmed: Montrer Klinkt goed; hebben ze daar ook dieren, zoals koeien en schapen?
(Ça a l'air bien ; y a‑t‑il aussi des animaux, comme des vaches et des moutons ?)
Collega Marieke: Montrer Zeker, er lopen koeien en geiten in de wei, en de boer laat je helpen met de dieren voeren als je dat leuk vindt.
(Bien sûr, il y a des vaches et des chèvres dans la prairie, et le fermier te laissera aider à nourrir les animaux si ça te plaît.)
Questions ouvertes:
1. Zou jij liever in een dorp of op een boerderij slapen in het weekend? Waarom?
Préférerais-tu dormir dans un village ou dans une ferme le week-end ? Pourquoi ?
2. Welke dieren wil jij graag zien als je een boerderij bezoekt?
Quels animaux aimerais-tu voir lorsque tu visites une ferme ?
Met de kinderen naar de kinderboerderij
Joris: Montrer Sanne, zullen we morgen met de kinderen naar de kinderboerderij in het dorp gaan?
(Sanne, est‑ce qu'on va demain avec les enfants à la ferme pédagogique du village ?)
Partner Sanne: Montrer Goed idee, daar hebben ze een kleine schuur, een molen en buiten een grote wei met paarden en schapen.
(Bonne idée : ils ont une petite grange, un moulin et dehors une grande prairie avec des chevaux et des moutons.)
Joris: Montrer Leuk, dan kunnen de kinderen de kippen en varkens zien, misschien mogen ze helpen met voeren.
(Génial, les enfants pourront voir les poules et les cochons, peut‑être qu'on leur permettra d'aider à les nourrir.)
Partner Sanne: Montrer Ja, en dan maken we daarna nog een korte wandeling in de natuur rond het dorp.
(Oui, et ensuite nous ferons une courte promenade dans la nature autour du village.)
Questions ouvertes:
1. Welke dieren vind jij leuk op de kinderboerderij, en waarom?
Quels animaux aimes‑tu voir à la ferme pédagogique, et pourquoi ?
2. Ga jij liever naar een kinderboerderij in de stad of op het echte platteland?
Préférerais‑tu aller à une ferme pédagogique en ville ou à la vraie campagne ?
Exercice 4: Répondez à la situation
Instruction: Exercez-vous par deux ou avec votre enseignant.
1. Je plant in het weekend een dagje naar het platteland met een collega. Jullie willen een rustig dorp bezoeken met mooie natuur. Vraag je collega of hij/zij mee wil en vertel kort wat je daar wilt doen. (Gebruik: het platteland, de natuur, wandelen)
(Vous prévoyez une sortie à la campagne ce week-end avec un·e collègue. Vous souhaitez visiter un village calme avec une belle nature. Demandez à votre collègue s'il/elle veut venir et dites brièvement ce que vous comptez y faire. (Utilisez : la campagne, la nature, se promener))Op het platteland
(À la campagne ...)Exemple:
Op het platteland wil ik graag wandelen in de natuur en even weg zijn van de stad. Ga je mee dit weekend?
(À la campagne, j’aimerais me promener dans la nature et m’éloigner un peu de la ville. Tu viens ce week-end ?)2. Je praat met een Nederlandse collega die uit een klein dorp komt. Je bent nieuwsgierig en vraagt hoe het leven in het dorp is. Vertel ook iets kort over jouw eigen woonplaats. (Gebruik: het dorp, rustig, druk)
(Vous parlez avec un·e collègue néerlandais·e qui vient d’un petit village. Vous êtes curieux·se et demandez comment est la vie dans ce village. Dites aussi quelque chose de bref sur l’endroit où vous vivez. (Utilisez : le village, calme, animé))In mijn dorp
(Dans mon village ...)Exemple:
In mijn dorp is het best rustig, maar er is een supermarkt en een paar cafés. In de grote stad waar ik nu woon is het veel drukker.
(Dans mon village, c’est plutôt calme, mais il y a une supérette et quelques cafés. Dans la grande ville où je vis maintenant, c’est beaucoup plus animé.)3. Je bent met vrienden op vakantie in Nederland en jullie bezoeken een boerderij. Je legt uit welk boerderijdier jij het leukste vindt en waarom. (Gebruik: de boerderij, de koe, het paard, leuk vinden)
(Vous êtes en vacances aux Pays-Bas avec des amis et vous visitez une ferme. Expliquez quel animal de la ferme vous préférez et pourquoi. (Utilisez : la ferme, la vache, le cheval, aimer))Op de boerderij
(À la ferme ...)Exemple:
Op de boerderij vind ik de koe het leukst, want ik vind het interessant hoe ze melk geven en de hele dag in de wei staan.
(À la ferme, je préfère la vache parce que je trouve intéressant qu’elle donne du lait et passe toute la journée dans le pré.)4. Je belt een kleine camping op het platteland. Je wilt vragen of er activiteiten met boerderijdieren zijn voor kinderen, zoals de dieren voeden. Stel een korte, duidelijke vraag en zeg voor welke dag je informatie wilt. (Gebruik: de boerderij, de kinderen, voeden)
(Vous appelez un petit camping à la campagne. Vous voulez demander s’il y a des activités avec des animaux de la ferme pour les enfants, comme le nourrissage des animaux. Posez une question courte et claire et indiquez pour quel jour vous voulez l’information. (Utilisez : la ferme, les enfants, nourrir))Ik wil graag
(Je voudrais ...)Exemple:
Ik wil graag weten of de kinderen op de boerderij de dieren mogen voeden. Heeft u zulke activiteiten aanstaande zaterdag?
(Je voudrais savoir si les enfants peuvent nourrir les animaux à la ferme. Avez-vous ce type d’activités samedi prochain ?)Exercice 5: Exercice d'écriture
Instruction: Écrivez 6 à 8 phrases sur un week-end que vous aimeriez passer à la campagne : où iriez-vous, que verriez-vous et quelles activités voudriez-vous faire ?
Expressions utiles:
Ik zou graag naar ... gaan, omdat ... / Op het platteland wil ik vooral ... / Ik vind het leuk om ... te zien / In het weekend hoop ik ook tijd te hebben om ...
Oefening 6: Exercice de conversation
Instructie:
- Beschrijf de activiteiten op de afbeeldingen en geef een reactie daarop. (Décrivez les activités sur les images et commentez-les.)
- Waar ben je opgegroeid? Op het platteland of in de stad? (Où avez-vous grandi ? À la campagne ou en ville ?)
- Moest je voor dieren zorgen? Boerderijdieren of huisdieren? (Deviez-vous vous occuper des animaux ? Des animaux de ferme ou des animaux de compagnie ?)
Directives pédagogiques +/- 10 minutes
Consignes pour l'enseignant
- Lisez les phrases d'exemple à voix haute.
- Répondez aux questions concernant l'image.
- Les étudiants peuvent également préparer cet exercice sous forme de texte écrit pour le prochain cours.
Exemples de phrases:
|
Ik ben opgegroeid op het platteland. J'ai grandi à la campagne. |
|
Mijn familie heeft een boerderij, dus ik hielp veel met de verzorging van de varkens, koeien en kippen. Ma famille a une ferme, donc j'ai beaucoup aidé à prendre soin des porcs, des vaches et des poules. |
|
Ik ben opgegroeid in een kleine stad. Mijn familie had een hond. Ik hielp om voor hem te zorgen. J'ai grandi dans une petite ville. Ma famille avait un chien. J'ai aidé à m'en occuper. |
|
Ik ben opgegroeid in Berlijn, de hoofdstad van Duitsland. We hadden maar een klein appartement, dus hadden we nooit een huisdier. J'ai grandi à Berlin, la capitale de l'Allemagne. Nous n'avions qu'un petit appartement donc nous n'avons jamais eu d'animal de compagnie. |
|
De boer voert de kippen wat maïs. Le fermier donne du maïs aux poules. |
|
Ze plukken appels in de velden. Ils cueillent des pommes dans les champs. |
|
De boer bewerkt het veld. L'agriculteur cultive le champ. |
| ... |