Vocabulaire (19)
Voorbereiden (préparer)
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
| (ik) bereid voor |
| (jij/je) bereidt voor |
| (hij/zij/ze/het) bereidt voor |
| (wij/we) bereiden voor |
| (jullie) bereiden voor |
| (zij/ze) bereiden voor |
Afstuderen (achever ses études)
Onvoltooid verleden tijd (OVT)
| (ik) studeerde af |
| (jij/je) studeerde af |
| (hij/zij/ze/het) studeerde af |
| (wij/we) studeerden af |
| (jullie) studeerden af |
| (zij/ze) studeerden af |
Solliciteren (postuler)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb gesolliciteerd |
| (jij/je) hebt gesolliciteerd |
| (hij/zij/ze/het) heeft gesolliciteerd |
| (wij/we) hebben gesolliciteerd |
| (jullie) hebben gesolliciteerd |
| (zij/ze) hebben gesolliciteerd |