W języku polskim główne zaimki osobowe to: ja, ty, on, ona, ono, my, wy, oni, one.
(In het Pools zijn de belangrijkste persoonlijke voornaamwoorden: ja, ty, on, ona, ono, my, wy, oni, one.)
- Voornaamwoorden zijn niet altijd nodig in het Pools, omdat werkwoorden het onderwerp aangeven.
| Osoba (persoon) | Liczba pojedyncza (enkelvoud) | Liczba mnoga (meervoud) |
|---|---|---|
| 1. osoba (1e persoon) | ja (ik) | my (wij) |
| 2. osoba (2e persoon) | ty (jij/je) | wy (jullie) |
| 3. osoba męski (3e persoon mannelijk) | on (hij) | oni (zij (m.)) |
| 3. osoba żeński (3e persoon vrouwelijk) | ona (zij (v.)) | one (zij (v./onz.)) |
| 3. osoba nijaki (3e persoon onzijdig) | ono (het) | — |
Uitzonderingen!
- „Ono” wordt zelden gebruikt en verwijst meestal naar het woord dziecko, bv. Ono (dziecko) śpi spokojnie.
- Formele “u”-vormen – Pan / Pani / Państwo worden gebruikt in plaats van ty/wy in beleefde of formele situaties.
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Dzień dobry, ___ jestem Anna.
Goedendag, ___ ben ik Anna.)2. Cześć! Jak się masz? A ___?
Hoi! Hoe gaat het met je? En met ___?)3. Dzień dobry, ___ jest z Warszawy?
Goedendag, ___ komt uit Warschau?)4. To są moi koledzy. ___ mówią po polsku.
Dat zijn mijn collega’s. ___ spreken Pools.)Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Vervang het onderwerp (naam/zelfstandig naamwoord) door het juiste persoonlijk voornaamwoord (ik, jij, hij, zij, het, wij, jullie, zij) en schrijf de zin over.
-
Anna jest w biurze.
-
Tomek ma nowy telefon.⇒ _______________________________________________ ExampleOn ma nowy telefon.(Hij heeft een nieuwe telefoon.)
-
Dziecko śpi.
-
Maria i Anna piją kawę.
-
Piotr i Marek są w pracy.
-
Ja i ty jesteśmy w domu.
Oefening 3: Grammatica in actie
Instructie: Speel een kort gesprek: begroeting, introductie, afscheid.
- Jak się nazywasz i czym się zajmujesz w firmie? (Hoe heet je en wat is jouw rol in het bedrijf?)
- Przedstaw jedną osobę w pokoju: on, ona, oni lub one. Kim są? (Stel één persoon in de kamer voor: hij, zij, of zij (meervoud, vrouwelijk of gemengd). Wie zijn ze?)
- Dzień dobry! Ja jestem... A Pan/Pani? (Goedendag! Ik ben... En jij?)
- Jak się masz? Dobrze. A ty? (Hoe gaat het? Goed. En met jou?)
- Dziękuję! Do zobaczenia! (Dank je! Tot ziens!)
- ja / my (ik / wij)
- ty / wy (jij / jullie)
- Pan / Pani / Państwo (meneer / mevrouw / dames en heren)