Ejercicio: Gespreksoefening

Instrucción:

  1. Describe dónde están las personas y qué tienda están visitando. (Beschrijf waar de mensen zijn en welke winkel ze bezoeken.)
  2. Di qué sueles comprar en estas tiendas. (Zeg wat je gewoonlijk in deze winkels koopt.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Ella está en la lavandería porque necesito lavar mi ropa.

Ze is bij de wasserette omdat ik mijn kleren moet wassen.

Él va a la frutería porque quiere manzanas frescas.

Hij gaat naar de groenteboer omdat hij verse appels wil.

Ella está en la carnicería para comprar pollo para la cena.

Ze is bij de slager om kip voor het avondeten te kopen.

Visitan al zapatero porque sus zapatos están rotos.

Ze bezoeken de schoenmaker omdat hun schoenen kapot zijn.

Estoy en la tienda de ropa y el dependiente me muestra una chaqueta.

Ik ben in de kledingwinkel en de winkelmedewerker laat me een jas zien.

Compramos un pequeño ramo en la floristería antes de visitar a un amigo.

We kopen een klein boeket bij de bloemist voordat we een vriend bezoeken.

...