El pretérito imperfecto de indicativo es un tiempo verbal que expresa acciones pasados cuyo principio y fin no se concretan. También sirve para describir la continuidad de una acción en pasado.
(De onvoltooid verleden tijd van de indicativo drukt handelingen in het verleden uit waarvan begin en einde niet precies worden aangegeven. Hij wordt ook gebruikt om de voortgang of duur van een handeling in het verleden te beschrijven.)
- Voor werkwoorden die eindigen op "-ar" wordt "-aba, -abas, -aba, -ábamos, -abais, -aban" toegevoegd.
- Voor werkwoorden die eindigen op "-er/-ir" wordt "-ía, -ías, -ía, -íamos, -íais, -ían" toegevoegd.
| Verbo ayudar | Verbo atender |
|---|---|
| Yo ayudaba (Ik hielp / ik was aan het helpen) | Yo atendía (Ik hielp / ik was aan het behandelen) |
| Tú ayudabas (Jij hielp / jij was aan het helpen) | Tú atendías (Jij hielp / jij was aan het behandelen) |
| Él / Ella ayudaba (Hij / Zij hielp) | Él / Ella atendía (Hij / Zij hielp / behandelde) |
| Nosotros / Nosotras ayudábamos (Wij hielpen) | Nosotros / Nosotras atendíamos (Wij hielpen / behandelden) |
| Vosotros / Vosotras ayudabais (Jullie hielpen) | Vosotros / Vosotras atendíais (Jullie hielpen / behandelden) |
| Ellos / Ellas ayudaban (Zij hielpen) | Ellos / Ellas atendían (Zij hielpen / behandelden) |
Uitzonderingen!
- De eerste en de derde persoon enkelvoud zijn hetzelfde.
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Cuando trabajaba en la Cruz Roja, yo siempre ______ a los voluntarios nuevos en la sala de urgencias.
Toen ik bij het Rode Kruis werkte, ik ______ altijd de nieuwe vrijwilligers op de spoedeisende hulp.)2. Antes, vosotros ______ muchas llamadas del teléfono de emergencia desde esta oficina.
Vroeger ______ jullie vanuit dit kantoor veel oproepen van het alarmnummer.)3. En mi antiguo trabajo, nosotros ______ en accidentes de tráfico y también ______ pequeños incendios con los bomberos.
In mijn vorige baan ______ wij bij verkeersongevallen en ______ ook kleine brandjes samen met de brandweer.)4. Cuando era residente en el hospital, yo ______ a muchos pacientes que tenían emergencias leves en la sala de urgencias.
Toen ik arts in opleiding was in het ziekenhuis, ik ______ veel patiënten die lichte noodgevallen hadden op de eerste hulp.)Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Selecteer de correcte zin die de pretérito imperfecto van regelmatige of onregelmatige werkwoorden gebruikt, let op de uitgangen en onregelmatige vormen, in de context van noodhulpdiensten.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen in de onvoltooid verleden tijd van de indicatief (gebruik voor gewoonlijke handelingen of beschrijvingen in het verleden).
-
⇒ _______________________________________________ ExampleAntes ayudaba a mis vecinos con la compra todos los días.(Antes ayudaba a mis vecinos con la compra todos los días.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleAntes atendíamos a muchos clientes en la tienda.(Antes atendíamos a muchos clientes en la tienda.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleAntes mi compañera ayudaba al jefe con los informes.(Antes mi compañera ayudaba al jefe con los informes.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleAntes atendía el teléfono solo por la mañana.(Antes atendía el teléfono solo por la mañana.)
Oefening 4: Grammatica in actie
Instructie: In tweetallen, vertel en vergelijk hoe jullie vroeger noodgevallen regelden.
- ¿Cómo era la sala de urgencias cuando eras joven? ¿Qué pasaba allí? (Hoe was de afdeling spoedeisende hulp toen je jong was? Wat gebeurde daar?)
- ¿Quién te ayudaba normalmente en una emergencia? ¿Cómo te atendía? Describe acciones continuas en pasado. (Wie hielp je meestal bij een noodgeval? Hoe behandelde die persoon je? Beschrijf voortdurende handelingen in het verleden.)
- las urgencias estaban lejos (de spoedeisende hulp lag ver weg)
- llamábamos al teléfono de emergencia (we belden het alarmnummer)
- la ambulancia y la paramédica ayudaban (de ambulance en de ambulanceverpleegkundige hielpen)
- yo ayudaba / tú ayudabas / él ayudaba (ik hielp / jij hielp / hij hielp)
- nosotros atendíamos / ellos atendían (wij verzorgden / zij verzorgden)
- llamábamos / llamabais al teléfono de emergencia (we belden / jullie belden het alarmnummer)