Leerás los usos de los cuantificadores «poco», «mucho», «bastante», y las expresiones de ausencia «nada» y «nadie» para hablar sobre cantidades en situaciones cotidianas, como el tráfico y el transporte público.
  1. "Poco, mucho, bastante, demasiado" geven een onbepaalde hoeveelheid aan.
  2. "Nada, nadie" verwijzen naar de afwezigheid van iets of iemand.
  3. "Todo, otro" spreken over de totaliteit of verwijzen naar iets extra.
  4. "Tanto" benadrukt een grote hoeveelheid.
Función (Functie)Cuantificadores (Kwantisatoren)Ejemplo (Voorbeeld)
Cantidad no exacta  (Ongeveer hoeveelheid)Poco, Mucho, Bastante, Demasiado

Hay poco transporte público en mi barrio.

Hay mucho tráfico por esta zona.

Esperé demasiado tiempo para el tren.

Hay bastante gente en el autobús.

Ausencia (Afwezigheid)

Nada

Nadie

No hay nada en el carril bici, está vacío.

Nadie quiere viajar en coche.

Totalidad o Adición (Totaliteit of toevoeging)

Todo

Otro

Hoy el tráfico está bien, todo va rápido.

Este autobús no llega. Esperamos a otro.

Cantidad grande (Grote hoeveelheid)TantoHay tanto tráfico en la ciudad hoy.

Oefening 1: Usos de "Poco", "Mucho", "Bastante", "Nada", "Nadie"

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

poco, bastante, tanto, Nadie, otro

1. Ausencia:
: ... ha usado el transporte público esta mañana.
(Niemand heeft vanmorgen het openbaar vervoer gebruikt.)
2. Totalidad o adición:
: Voy a tomar ... tren porque el primero está lleno.
(Ik ga een andere trein nemen omdat de eerste vol is.)
3. Totalidad o adición:
: Voy a tomar ... taxi, el primero no estaba disponible.
(Ik ga een andere taxi nemen, de eerste was niet beschikbaar.)
4. Cantidad pequeña:
: Hoy hay ... tráfico en la calle. A lo mejor es un día festivo.
(Vandaag is er weinig verkeer op straat. Misschien is het een feestdag.)
5. Cantidad grande:
: He esperado ... tiempo para el autobús.
(Ik heb zo lang op de bus gewacht.)
6. Cantidad grande:
: Hay ... tráfico hoy, mejor voy en tren.
(Er is veel verkeer vandaag, ik ga beter met de trein.)
7. Cantidad pequeña:
: Hay ... espacio en este autobús. Hay mucha gente.
(Er is weinig plaats in deze bus. Er zijn veel mensen.)
8. Ausencia:
: ... usa el carril bici esta mañana.
(Niemand gebruikt vanochtend het fietspad.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin voor elke situatie, let op het correcte gebruik van 'weinig', 'veel', 'genoeg', 'niets' en 'niemand' om over hoeveelheden te spreken in contexten van duurzaam en dagelijks vervoer.

1.
'Gevle' komt niet overeen met 'mensen', wat een meervoudig zelfstandig naamwoord is; het moet 'genoeg' zijn.
Het zelfstandig naamwoord 'vervoers' is onjuist in meervoud; het moet 'vervoer' zijn.
2.
'Niemand' wordt gebruikt voor personen, niet voor verkeer, dat een levenloos zelfstandig naamwoord is.
'Geen' wordt gebruikt met telbare zelfstandige naamwoorden of geïndividualiseerde telbare zelfstandige naamwoorden, maar 'verkeer' is ontelbaar; beter 'niets' gebruiken voor afwezigheid.
3.
'Verkeer' is een mannelijk enkelvoudig en ontelbaar zelfstandig naamwoord, 'veel' moet hier in enkelvoud worden gebruikt.
'Velen' is meervoud, maar 'verkeer' is enkelvoud.
4.
'Weinig' duidt op een kleine maar bestaande hoeveelheid, geen afwezigheid; daarom is de zin onjuist.
'Niets' geeft afwezigheid van dingen aan, maar hier spreken we over mensen; 'niemand' moet gebruikt worden.

Inleiding tot het gebruik van kwantificeerders in het Spaans

In deze les leer je hoe je kwantificeerders zoals poco, mucho, bastante, nada en nadie gebruikt om hoeveelheden en afwezigheden uit te drukken. Deze woorden zijn essentieel om dagelijkse situaties te beschrijven, bijvoorbeeld over het verkeer of openbare ruimtes, en zijn vooral belangrijk op het A2-niveau waar je al eenvoudige zinnen begrijpt en gebruikt.

Belangrijke functies van kwantificeerders

1. Onbepaalde hoeveelheden

Woorden als poco (weinig), mucho (veel), bastante (genoeg/aardig veel) en demasiado (te veel) geven aan dat de hoeveelheid niet exact is, maar wel een zekere indruk van hoeveelheid geeft. Voorbeeldzinnen zijn:
Hay poco transporte público en mi barrio.
Hay mucho tráfico por esta zona.

2. Afwezigheid

Nada en nadie geven aan dat er helemaal niets of niemand aanwezig is. Dit gebruik is handig om te spreken over lege plaatsen of de afwezigheid van mensen, bijvoorbeeld:
No hay nada en el carril bici, está vacío.
Nadie quiere viajar en coche.

3. Totaliteit of toevoegingen

Met todo (alles/iedereen) spreek je over de hele groep of totale hoeveelheid, terwijl otro (ander/andere) verwijst naar iets extra of anders. Voorbeelden zijn:
Hoy el tráfico está bien, todo va rápido.
Este autobús no llega. Esperamos a otro.

4. Grote hoeveelheid

Tanto benadrukt een grote hoeveelheid en wordt gebruikt om die aandacht te geven zoals in:
Hay tanto tráfico en la ciudad hoy.

Vergelijking met het Nederlands

In het Spaans zijn kwantificeerders zeer vergelijkbaar met het Nederlands, maar er zijn enkele aandachtspunten. Zo is nada meer algemeen dan het Nederlandse "niets" en gebruik je nadie strikt voor personen (vergelijkbaar met "niemand"). Let ook op het correct gebruik van enkelvoud en meervoud, bijvoorbeeld bastante gente (niet bastantes gente) omdat "gente" altijd enkelvoud is. In het Nederlands gebruiken we soortgelijke indelingen, maar de woordvolgorde en het gebruik kunnen verschillen, bijvoorbeeld: "Er is veel verkeer" versus "Hay mucho tráfico".

Nuttige zinnen om te onthouden:

  • Hay poco transporte público. — Er is weinig openbaar vervoer.
  • No hay nada en la calle. — Er is niets op straat.
  • Nadie está aquí. — Niemand is hier.
  • Hay bastante gente en el autobús. — Er zijn nogal wat mensen in de bus.
  • Este libro tiene mucho interés. — Dit boek heeft veel interesse.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage