Usamos "poco", "mucho", "bastante", "nada" y "nadie" para hablar de cantidades.
(We gebruiken
- "Poco, mucho, bastante, demasiado" geven een niet‑exacte hoeveelheid aan.
- "Nada, nadie" verwijzen naar de afwezigheid van iets of iemand.
- "Todo, otro" drukken totaliteit uit of verwijzen naar iets extra’s.
- "Tanto" benadrukt een grote hoeveelheid.
| Función (Functie) | Cuantificadores (Kwantoren) | Ejemplo (Voorbeeld) |
|---|---|---|
| Cantidad no exacta (Niet‑exacte hoeveelheid) | Poco, Mucho, Bastante, Demasiado | Hay poco transporte público en mi barrio. Hay mucho tráfico por esta zona. Esperé demasiado tiempo para el tren. Hay bastante gente en el autobús. |
| Ausencia (Afwezigheid) | Nada Nadie | No hay nada en el carril bici, está vacío. Nadie quiere viajar en coche. |
| Totalidad o Adición (Totaliteit of toevoeging) | Todo Otro | Hoy el tráfico está bien, todo va rápido. Este autobús no llega. Esperamos a otro. |
| Cantidad grande (Grote hoeveelheid) | Tanto | Hay tanto tráfico en la ciudad hoy. |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. En mi barrio hay ___ transporte público y necesito coger el coche casi todos los días.
In mijn buurt is er ___ openbaar vervoer en ik moet bijna elke dag de auto nemen.)2. En Madrid uso ___ el metro porque es rápido y bastante ecológico.
In Madrid neem ik ___ de metro omdat die snel en redelijk milieuvriendelijk is.)3. En el aparcamiento de bicicletas casi nunca hay sitio; siempre hay demasiadas bicis y apenas queda ___ libre.
Bij de fietsenstalling is er bijna nooit plek; er staan altijd te veel fietsen en er blijft bijna ___ vrij.)4. En esta carretera no hay carril bici y por la noche casi ___ va en bicicleta.
Op deze weg is er geen fietspad en ’s avonds fietst bijna ___.)Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies voor elke situatie de juiste zin, en let daarbij goed op het juiste gebruik van 'poco', 'mucho', 'bastante', 'nada' en 'nadie' om over hoeveelheden te spreken in contexten van duurzaam en alledaags vervoer.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen met het aangegeven kwantificeerder (poco, mucho, bastante, demasiado, nada, nadie, todo, otro, tanto) om hoeveelheid, afwezigheid of totaliteit uit te drukken. Voorbeeld: Hay muchos coches → No hay nadie en la calle.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleEn mi barrio hay bastante transporte público.(In mijn buurt is behoorlijk wat openbaar vervoer.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleEn esta calle no hay nada de tráfico.(In deze straat is helemaal geen verkeer.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleHoy hay demasiada gente en el metro.(Vandaag is er te veel volk in de metro.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleEn mi empresa nadie quiere venir a la oficina.(In mijn bedrijf wil niemand naar kantoor komen.)
Oefening 4: Grammatica in actie
Instructie: Praat met je klasgenoot en kies het meest duurzame vervoermiddel.
- ¿En tu ciudad hay mucho transporte público o hay poco? Explica. (Is er veel openbaar vervoer in jouw stad of juist weinig? Leg uit.)
- En tu barrio, ¿hay bastante carril bici o no hay nada? Describe por qué prefieres una opción u otra para ir al trabajo o a casa de un amigo/a. (Is er in jouw buurt veel fietspad of juist niets? Beschrijf waarom je de ene optie verkiest boven de andere om naar je werk of naar het huis van een vriend(in) te gaan.)
- En mi barrio hay poco aparcamiento y mucho tráfico. (In mijn buurt is er weinig parkeergelegenheid en veel verkeer.)
- Casi nadie monta en bici en mi zona; no hay carril bici seguro. (Bijna niemand fietst bij mij in de buurt; er is geen veilig fietspad.)
- En el centro hay bastante transporte público y bastantes coches eléctricos. (In het centrum is er behoorlijk wat openbaar vervoer en nogal wat elektrische auto’s.)
- poco, mucho, bastante (weinig, veel, genoeg)
- nada, nadie (niets, niemand)