Usamos "poco", "mucho", "bastante", "nada" y "nadie" para hablar de cantidades.

(We gebruiken "poco", "mucho", "bastante", "nada" en "nadie" om over hoeveelheden te praten.)

1. Wat doen deze woorden?

  • poco, mucho, bastante, demasiado, tanto → zeggen hoeveel er is.
  • nada, nadie → zeggen dat er helemaal niets / niemand is.
  • todo, otro → praten over alles of een extra / ander iets.

Belangrijk: deze woorden kunnen in de zin verschillende vormen krijgen. Dat zie je hieronder stap voor stap.

2. Poco, mucho, bastante, demasiado, tanto – wanneer veranderen ze?

Deze woorden kunnen twee dingen zijn:

  • Bijwoord (woord bij een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord)
  • Bijvoeglijk naamwoord (woord bij een zelfstandig naamwoord)
Functie Vorm Voorbeeld
Bijwoord
(bij werkwoord / adj.)
Onveranderlijk
(altijd -o)

Uso mucho el metro. (ik gebruik de metro veel)

El coche es demasiado caro. (te duur)

Bijvoeglijk naamwoord
(bij zelfstandig naamwoord)
Verandert
m/v, enk./mv

Hay muchos coches. (m. mv.)

Hay mucha bici. (v. enk.)

Hay pocos autobuses. (m. mv.)

Handige vuistregel

  • Staat het direct voor een zelfstandig naamwoord? → laat het meeveranderen (m/v, enk./mv.).
  • Staat het bij een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord? → gebruik de mannelijk enkelvoudsvorm op -o.

3. Overzicht van de vormen

Woord Mannelijk enk. Vrouwelijk enk. Mannelijk mv. Vrouwelijk mv. Bijwoord-vorm
poco poco tráfico poca gente pocos coches pocas bicis Uso el coche poco.
mucho mucho tráfico mucha gente muchos autobuses muchas calles Uso el metro mucho.
bastante Onveranderlijk in het enkelvoud (m/v): bastante
In het meervoud: bastantes
Viajo bastante en tren.
demasiado demasiado tráfico demasiada gente demasiados coches demasiadas bicis Conduzco demasiado.
tanto tanto tráfico tanta gente tantos coches tantas bicis Conduces tanto.

4. Poco / mucho / bastante / demasiado – betekenis en typische fouten

  • poco/a/os/as → weinig
    • Hay poco transporte público. (weinig, onvoldoende)
  • mucho/a/os/as → veel
    • Hay mucho tráfico. (veel)
  • bastante / bastantes → genoeg, behoorlijk wat
    • Hay bastante transporte público. (genoeg)
    • Hay bastantes autobuses. (behoorlijk wat bussen)
  • demasiado/a/os/as → te veel
    • Hay demasiado tráfico. (meer dan wenselijk)

Let op met “gente” (mensen):

  • gente is vrouwelijk enkelvoud in het Spaans.
  • Dus: poca gente, mucha gente, bastante gente, demasiada gente.
  • bastantes gente = fout.

5. Nada en nadie – hoe bouw je de zin?

In het Spaans combineer je no + het ontkenningswoord. Dat is anders dan in het Nederlands.

Betekenis Structuur Voorbeeld
nada = niets no + werkwoord + nada No hay nada de tráfico. (er is helemaal geen verkeer)
nadie = niemand no + werkwoord + nadie No hay nadie en la parada. (er is niemand bij de halte)
  • nada gebruik je voor dingen / situaties.
    • No hay nada en el carril bici. (niets)
  • nadie gebruik je voor personen.
    • No hay nadie en la oficina. (niemand)

Typische fouten

  • No hay nadie de tráfico. → verkeer = geen persoon → No hay nada de tráfico.
  • No hay nada esperando. als je over mensen praat → No hay nadie esperando.

6. Todo en otro – hoe gebruik je ze precies?

  • todo/a/os/as = heel(e), alle
    • todo el día (de hele dag)
    • toda la ciudad (de hele stad)
    • todos los autobuses (alle bussen)
    • todas las personas (alle personen)
  • otro/a/os/as = nog een, een andere / andere
    • Espero a otro autobús. (een andere bus)
    • Quiero otra bici. (een andere fiets)
    • Tenemos otros trenes al centro. (andere treinen)

Let op:

  • In het Spaans zeg je otro autobús, niet un otro autobús.
  • todo past zich altijd aan het zelfstandig naamwoord aan (m/v, enk./mv.).

7. Zelfcheck: kies ik de juiste vorm?

  1. Zoek het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort.
    • mannelijk / vrouwelijk?
    • enkelvoud / meervoud?
  2. Bepaal de functie:
    • Bij een zelfstandig naamwoord? → laat het woord meeveranderen.
    • Bij een werkwoord / bijvoeglijk naamwoord? → gebruik de -o-vorm (poco, mucho, bastante, demasiado, tanto).
  3. Afwezigheid?
    • Bij dingen / situatiesno + werkwoord + nada.
    • Bij personenno + werkwoord + nadie.

8. Mini-test: kun jij het al?

Controleer jezelf. Kun je in het Spaans zeggen:

  • Er is weinig openbaar vervoer in mijn wijk.
  • Er is best veel verkeer in het centrum.
  • Er is helemaal geen verkeer op deze straat.
  • Er is niemand op de bushalte.
  • Ik wacht op een andere bus.
  • Er is zoveel verkeer in mijn stad.

Als je dit zonder te twijfelen kunt formuleren, heb je deze kwantoren op A2-niveau onder controle.

  1. "Poco, mucho, bastante, demasiado" geven een niet‑exacte hoeveelheid aan.
  2. "Nada, nadie" verwijzen naar de afwezigheid van iets of iemand.
  3. "Todo, otro" drukken totaliteit uit of verwijzen naar iets extra’s.
  4. "Tanto" benadrukt een grote hoeveelheid.
Función (Functie)Cuantificadores (Kwantoren)Ejemplo (Voorbeeld)
Cantidad no exacta  (Niet‑exacte hoeveelheid)Poco, Mucho, Bastante, Demasiado

Hay poco transporte público en mi barrio.

Hay mucho tráfico por esta zona.

Esperé demasiado tiempo para el tren.

Hay bastante gente en el autobús.

Ausencia (Afwezigheid)

Nada

Nadie

No hay nada en el carril bici, está vacío.

Nadie quiere viajar en coche.

Totalidad o Adición (Totaliteit of toevoeging)

Todo

Otro

Hoy el tráfico está bien, todo va rápido.

Este autobús no llega. Esperamos a otro.

Cantidad grande (Grote hoeveelheid)TantoHay tanto tráfico en la ciudad hoy.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. En mi barrio hay ___ transporte público y necesito coger el coche casi todos los días.

In mijn buurt is er ___ openbaar vervoer en ik moet bijna elke dag de auto nemen.)

2. En Madrid uso ___ el metro porque es rápido y bastante ecológico.

In Madrid neem ik ___ de metro omdat die snel en redelijk milieuvriendelijk is.)

3. En el aparcamiento de bicicletas casi nunca hay sitio; siempre hay demasiadas bicis y apenas queda ___ libre.

Bij de fietsenstalling is er bijna nooit plek; er staan altijd te veel fietsen en er blijft bijna ___ vrij.)

4. En esta carretera no hay carril bici y por la noche casi ___ va en bicicleta.

Op deze weg is er geen fietspad en ’s avonds fietst bijna ___.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies voor elke situatie de juiste zin, en let daarbij goed op het juiste gebruik van 'poco', 'mucho', 'bastante', 'nada' en 'nadie' om over hoeveelheden te spreken in contexten van duurzaam en alledaags vervoer.

1.
Het zelfstandig naamwoord 'públicos' staat hier onjuist in het meervoud; het moet 'público' zijn.
'Bastantes' past niet bij 'gente', dat een enkelvoudig collectief zelfstandig naamwoord is; er moet 'bastante' staan.
2.
'Nadie' wordt voor personen gebruikt en niet voor verkeer, dat een levenloos zelfstandig naamwoord is.
'Ningún' wordt gebruikt met telbare zelfstandige naamwoorden, maar 'tráfico' is niet-telbaar; beter is 'nada' te gebruiken om afwezigheid aan te geven.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het aangegeven kwantificeerder (poco, mucho, bastante, demasiado, nada, nadie, todo, otro, tanto) om hoeveelheid, afwezigheid of totaliteit uit te drukken. Voorbeeld: Hay muchos coches → No hay nadie en la calle.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (bastante) En mi barrio hay muchos autobuses y trenes.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    En mi barrio hay bastante transporte público.
    (In mijn buurt is behoorlijk wat openbaar vervoer.)
  2. Hint Hint (nada) En esta calle no hay coches.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    En esta calle no hay nada de tráfico.
    (In deze straat is helemaal geen verkeer.)
  3. Hint Hint (demasiado) Hoy el metro está muy lleno.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hoy hay demasiada gente en el metro.
    (Vandaag is er te veel volk in de metro.)
  4. Hint Hint (nadie) En mi empresa todas las personas quieren trabajar desde casa.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    En mi empresa nadie quiere venir a la oficina.
    (In mijn bedrijf wil niemand naar kantoor komen.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Praat met je klasgenoot en kies het meest duurzame vervoermiddel.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Cada día vas al trabajo y debes elegir transporte más sostenible.
(Je gaat elke dag naar je werk en moet duurzamer vervoer kiezen.)

Bespreek
  • ¿En tu ciudad hay mucho transporte público o hay poco? Explica. (Is er veel openbaar vervoer in jouw stad of juist weinig? Leg uit.)
  • En tu barrio, ¿hay bastante carril bici o no hay nada? Describe por qué prefieres una opción u otra para ir al trabajo o a casa de un amigo/a. (Is er in jouw buurt veel fietspad of juist niets? Beschrijf waarom je de ene optie verkiest boven de andere om naar je werk of naar het huis van een vriend(in) te gaan.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • En mi barrio hay poco aparcamiento y mucho tráfico. (In mijn buurt is er weinig parkeergelegenheid en veel verkeer.)
  • Casi nadie monta en bici en mi zona; no hay carril bici seguro. (Bijna niemand fietst bij mij in de buurt; er is geen veilig fietspad.)
  • En el centro hay bastante transporte público y bastantes coches eléctricos. (In het centrum is er behoorlijk wat openbaar vervoer en nogal wat elektrische auto’s.)

Gebruik in gesprek
  • poco, mucho, bastante (weinig, veel, genoeg)
  • nada, nadie (niets, niemand)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage