Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Fin de semana en el centro histórico

Woorden om te gebruiken: centro, palacio, peatonal, paseo, mapa, monumento, histórico, plaza

(Weekend in het historische centrum)

Este fin de semana la ciudad ofrece un guiado gratuito por el . El recorrido empieza en la mayor, continúa por la calle principal y termina en el más antiguo de la ciudad. Durante el paseo, el guía explica la historia de cada y de las estatuas más importantes.

Para participar, los turistas deben ir a la oficina de turismo una hora antes del inicio, consultar un de la zona y reservar su plaza. Es posible coger un taxi hasta la boca de metro más cercana y, desde allí, caminar cinco minutos. Al final del paseo, los visitantes pueden hacer una foto del grupo y mandar una postal con una vista de la ciudad cosmopolita a sus amigos o familiares.
Dit weekend biedt de stad een gratis rondleiding door het historische centrum. De route begint op het hoofdplein, loopt verder over de belangrijkste winkel- en voetgangersstraat en eindigt bij het oudste paleis van de stad. Tijdens de rondleiding vertelt de gids de geschiedenis van elk monument en van de belangrijkste standbeelden.

Om deel te nemen moeten toeristen een uur voor aanvang naar het VVV-kantoor gaan, een kaart van het gebied raadplegen en hun plek reserveren. Het is mogelijk om een taxi te nemen tot de dichtstbijzijnde metro-ingang en vanaf daar vijf minuten te lopen. Aan het einde van de rondleiding kunnen de bezoekers een groepsfoto maken en een ansichtkaart met een uitzicht op de kosmopolitische stad naar vrienden of familie sturen.

  1. ¿Qué lugares visita el paseo guiado por la ciudad?

    (Welke plekken bezoekt de rondleiding door de stad?)

  2. ¿Qué tienen que hacer los turistas antes del inicio del paseo?

    (Wat moeten de toeristen doen vóór de start van de rondleiding?)

  3. ¿Cómo pueden llegar los turistas desde lejos hasta el punto de encuentro?

    (Hoe kunnen toeristen van ver naar de ontmoetingsplaats komen?)

  4. En tu opinión, ¿qué te gusta más visitar en una ciudad nueva y por qué?

    (Naar jouw mening: wat bezoek je het liefst in een nieuwe stad en waarom?)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel de items die een verwante betekenis hebben.

Hacer una foto — Tomar una foto (Hacer una foto — Tomar una foto)
Mandar una postal — Enviar una postal (Mandar una postal — Enviar una postal)
Ver una exposición — Visitar una exposición (Ver una exposición — Visitar una exposición)
Consultar un mapa — Mirar un plano de la ciudad (Consultar un mapa — Mirar un plano de la ciudad)
Coger un taxi — Ir en taxi (Coger un taxi — Ir en taxi)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. ¿___ te has perdido en el centro histórico si has consultado el mapa varias veces?

(___ ben je verdwaald in het historische centrum als je de kaart meerdere keren hebt geraadpleegd?)

2. Me he perdido ___ he mirado mal el plano de metro y he caminado en la dirección contraria.

(Ik ben verdwaald ___ ik de metrokaart verkeerd heb gelezen en in de verkeerde richting ben gelopen.)

3. Después, ___ caminado hasta la plaza mayor y ___ visitado un museo nacional muy interesante.

(Daarna ___ we naar het grote plein gelopen en ___ een heel interessant nationaal museum bezocht.)

4. Al final del día ___ visitado el mercado local ___ queremos comprar recuerdos para nuestros amigos.

(Aan het eind van de dag ___ we de lokale markt bezocht ___ we souvenirs voor onze vrienden willen kopen.)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Discussievragen

Instructie: Beantwoord de vragen met het vocabulaire uit dit hoofdstuk.

Nuttige uitdrukkingen:

Quisiera información sobre… / ¿Me puede indicar cómo llegar a…? / Normalmente, cuando viajo, me gusta…

  1. Estás en una ciudad nueva por trabajo. ¿Qué lugares sueles visitar cuando terminas la jornada y por qué?
    Je bent in een nieuwe stad voor werk. Welke plekken bezoek je meestal nadat je klaar bent met je werkdag en waarom?

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Imagina que estás en la oficina de turismo. ¿Qué información pides para organizar un fin de semana en la ciudad?
    Stel dat je bij het VVV-kantoor bent. Welke informatie vraag je om een weekend in de stad te organiseren?

    __________________________________________________________________________________________________________

  3. Un colega viene a visitarte a tu ciudad. ¿Qué le recomiendas ver o hacer en el centro histórico? Explica brevemente.
    Een collega komt je in jouw stad bezoeken. Wat raad je hem of haar aan om te zien of te doen in het historische centrum? Leg kort uit.

    __________________________________________________________________________________________________________

  4. Te has perdido cerca de una plaza grande. ¿Cómo preguntas en la calle para saber dónde está la boca del metro o cómo coger un taxi?
    Je bent verdwaald in de buurt van een groot plein. Hoe vraag je op straat waar de ingang van het metrostation is of hoe je een taxi kunt nemen?

    __________________________________________________________________________________________________________

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 6 of 8 zinnen om een ideale dag als toerist in een stad die je leuk vindt te beschrijven. Leg uit welke plekken je bezoekt en waarom.

Nuttige uitdrukkingen:

Me gusta visitar... porque... / Normalmente empiezo el día en... / Después puedo ir a... para... / Termino el día paseando por...