Leerás el presente de subjuntivo con verbos regulares como mandar (mande, mandes, mandemos), usado para expresar deseos y dudas tras expresiones como quiero que ojalá.
  1. Werkwoorden die eindigen op -ar vormen de subjunctief met de stam + -e, -es, -e, -emos, -éis, -en.
  2. Werkwoorden die eindigen op -er/-ir vormen de subjuntivo met de stam + -a, -as, -a, -amos, -áis, -an.
  3. Het wordt gebruikt na uitdrukkingen zoals: quiero que, espero que, dudo que, ojalá.
Pronombre (Voornaamwoord)Verbo: mandar (werkwoord: sturen)Ejemplo (Voorbeeld)
YoMandeÉl quiere que yo mande la carta
MandesEs importante que mandes un email.
Él / EllaMandeQuiero que ella mande el mensaje.
Nosotros/asMandemosOjalá que mandemos el currículum a tiempo.
Vosotros/asMandéisEs raro que mandéis postales.
Ellos/asMandenDudo que ellos manden la firma hoy.

 

Uitzonderingen!

  1. Ser is onregelmatig: sea, seas, sea, seamos, seáis, sean.

Oefening 1: El presente de subjuntivo: Los verbos regulares

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

recibamos, recibas, envíe, sea

1. Recibir (tú):
Prefiero que ... el paquete en mano.
(Ik heb liever dat je het pakket persoonlijk ontvangt.)
2. Recibir (tú):
Espero que ... mi carta pronto.
(Ik hoop dat je mijn brief snel ontvangt.)
3. Ser (ella):
Es necesario que ... puntual para la reunión.
(Het is noodzakelijk dat je op tijd bent voor de vergadering.)
4. Recibir (nosotros):
Ojalá que ... una respuesta rápida.
(Hopelijk ontvangen we snel een antwoord.)
5. Enviar:
Dudo que él ... el email hoy.
(Ik betwijfel of hij de e-mail vandaag verstuurt.)
6. Ser:
Deseo que ... un día productivo para todos.
(Ik wens dat het een productieve dag voor iedereen is.)
7. Enviar (yo):
No creo que ... un mensaje tan tarde.
(Ik denk niet dat hij zo laat een bericht stuurt.)
8. Ser:
Quiero que ella ... feliz con su decisión.
(Ik wil dat zij gelukkig is met haar beslissing.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin die de tegenwoordige wijs van de conjunctief correct gebruikt in elke groep. Let op de werkwoordsuitgangen en de context om veelvoorkomende fouten te identificeren.

1.
Het hoort niet om 'stuurst' met 'zij' te gebruiken; de correcte vorm is 'stuurt' voor hij/zij in de conjunctief.
'Stuurde' is in de verleden tijd, niet in de conjunctief; hier is conjunctief nodig na 'ik hoop dat'.
2.
De vorm 'stuurt' is voor hij/zij; voor 'wij' moet het 'sturen' zijn.
'Sturen' is indicatief, niet conjunctief; hier is conjunctief vereist na 'ik twijfel of'.
3.
'Stuurt' is indicatief, het conjunctief 'stuurt' moet na 'ik wil dat' worden gebruikt.
'Stuurt' komt overeen met hij/zij; voor 'jij' moet 'stuurt' worden gebruikt.
4.
'Stuurden' is verleden conjunctief; de tegenwoordige tijd is vereist volgens de context en uitleg.
'Stuurt' is indicatief; conjunctief is nodig bij 'hopelijk'.

Het onderwerp van deze les: De tegenwoordige aanvoegende wijs (presente de subjuntivo) in het Spaans

In deze les leer je hoe je het presente de subjuntivo vormt bij regelmatige werkwoorden die eindigen op -ar, en wanneer je deze tijd gebruikt. Dit is een belangrijke grammaticale tijd die gebruikt wordt om wensen, twijfels en gevoelens uit te drukken.

Vorming van de tegenwoordige aanvoegende wijs voor werkwoorden op -ar

Voor regelmatige -ar-werkwoorden, zoals mandar (versturen), wordt het subjuntief gevormd door de stam van het werkwoord te nemen en daar de volgende uitgangen aan toe te voegen: -e, -es, -e, -emos, -éis, -en.

PersoonVorm van 'mandar'Voorbeeldzin
YoMandeÉl quiere que yo mande la carta
MandesEs importante que mandes un email.
Él / EllaMandeQuiero que ella mande el mensaje.
Nosotros/asMandemosOjalá que mandemos el currículum a tiempo.
Vosotros/asMandéisEs raro que mandéis postales.
Ellos/asMandenDudo que ellos manden la firma hoy.

Wanneer gebruik je het presente de subjuntivo?

Deze aanvoegende wijs gebruik je vooral in zinnen die een wens, twijfel of emotie uitdrukken. Vaak staat het na woorden en uitdrukkingen zoals:

  • quiero que (ik wil dat)
  • espero que (ik hoop dat)
  • dudo que (ik twijfel of)
  • ojalá (hopelijk)

Wat je nog moet weten

Werkwoorden die eindigen op -er en -ir vormen hun subjuntivo met stam + -a, -as, -a, -amos, -áis, -an. Een voorbeeld hiervan is het onregelmatige werkwoord ser, dat de vormen sea, seas, sea, seamos, seáis, sean heeft in de aanvoegende wijs.

Verschillen tussen Nederlands en Spaans

In het Spaans is de aanvoegende wijs veel opvallender en vaker in gebruik dan in het Nederlands. Terwijl we in het Nederlands vaak gewoon de indicatief gebruiken, verandert het Spaans de werkwoordsvorm afhankelijk van de emotie, twijfel of wens die uitgedrukt wordt.

Enkele nuttige Spaanse uitdrukkingen met hun Nederlandse equivalenten of toelichtingen zijn:

  • Quiero que – "Ik wil dat" (duidt wens aan, hier volgt subjuntivo)
  • Espero que – "Ik hoop dat" (geeft hoop aan)
  • Dudo que – "Ik twijfel of" (geeft twijfel aan)
  • Ojalá – "Hopelijk" (drukt hoop of verlangen uit zonder onderwerp)

In tegenstelling tot het Spaans, gebruikt het Nederlands vaak dezelfde werkwoordsvorm in deze situaties, dus het leren herkennen en gebruiken van de aanvoegende wijs is essentieel voor correcte Spaanse communicatie.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage