En español, los pasados se dividen en tres tiempos: el pretérito imperfecto, el pretérito indefinido y el pretérito perfecto, utilizados para expresar acciones pasadas con diferentes detalles.

(In het Spaans worden de verleden tijden verdeeld in drie tijden: de pretérito imperfecto, de pretérito indefinido en de pretérito perfecto, die worden gebruikt om handelingen in het verleden met verschillende details uit te drukken.)

Overzicht: drie verleden tijden, drie verschillende brillen

In het Spaans kijk je naar het verleden met drie “brillen”:

  • Imperfecto → achtergrond, gewoonte, situatie
  • Indefinido → één compleet moment, verhaalstap
  • Perfecto → verleden + effect of link met nú

Als je twijfelt: vraag jezelf altijd af:

  • Is het een gewoonte / achtergrond? → imperfecto
  • Is het één afgesloten gebeurtenis? → indefinido
  • Is het recent of belangrijk voor nu? → perfecto

1. Pretérito imperfecto: achtergrond en gewoontes

Gebruik imperfecto voor “decor” en routine in het verleden.

  • Gewoontes in het verleden
    • Cuando era joven, siempre votaba al mismo partido.
      (Toen ik jong was, stemde ik altijd op dezelfde partij.)
  • Langdurige situaties / beschrijvingen
    • El gobierno era muy popular.
      (De regering was erg populair.)
  • Achtergrond bij een ander verleden feit
    • La gente protestaba cuando el presidente llegó.
      (De mensen waren aan het protesteren toen de president aankwam.)

Let op veelgebruikte tijdwoorden → vaak imperfecto:

  • siempre, normalmente, todos los días, cada año, antes

Typische misser:

  • Cuando fui joven, el presidente gobernaba…
    Cuando era joven, el presidente gobernaba…

Reden: “jong zijn” is een toestand, geen één moment. Daarom imperfecto: era.

2. Pretérito indefinido: één afgeronde gebeurtenis

Gebruik indefinido voor concrete, afgeronde acties op een duidelijk moment in het verleden.

  • Specifieke datum / jaar
    • En 2010 la princesa visitó el parlamento.
      (In 2010 bezocht de prinses het parlement.)
  • Volgorde in een verhaal
    • Primero ganó las elecciones, luego formó gobierno.
      (Eerst won hij de verkiezingen, daarna vormde hij een regering.)
  • Korte, afgesloten acties
    • Ayer voté en las elecciones.
      (Gisteren stemde ik bij de verkiezingen.)

Let op vaste tijdwoorden → bijna altijd indefinido:

  • ayer, anoche, en 2010, el lunes pasado, la semana pasada

Typische misser:

  • En 2010, la princesa ha visitado el parlamento.
    → En 2010, la princesa visitó el parlamento.

Reden: “2010” is een afgesloten tijd. Geen link met nu → indefinido.

3. Pretérito perfecto: verleden met link naar nu

Gebruik perfecto als het verleden nog iets met het heden te maken heeft.

  • Recente acties (vaak nog voelbaar / actueel)
    • Esta semana he votado en las elecciones.
      (Deze week heb ik gestemd.)
  • Resultaat is belangrijk nu
    • Hoy el presidente ha anunciado una nueva ley.
      (Vandaag heeft de president een nieuwe wet aangekondigd.)
  • Persoonlijke ervaring tot nu toe
    • Últimamente he participado en muchas reuniones políticas.
      (De laatste tijd heb ik aan veel politieke vergaderingen deelgenomen.)

Let op tijdwoorden die verwijzen naar een nog lopende periode:

  • hoy, esta semana, este mes, este año, últimamente

Typische twijfel “la semana pasada”:

  • In veel leerboeken: indefinidoLa semana pasada voté…
  • In jouw materiaal wordt ook perfecto gebruikt → focus op het feit dat het nog “vers” is.

Belangrijk voor A2: zie het verschil in gevoel, niet discussiëren over wat “absoluut moet”.

4. Signaalwoorden: snelle keuzehulp

Tijd Typische signaalwoorden Voorbeeld
Imperfecto siempre, normalmente, todos los días, cada año, cuando era joven Antes siempre votaba al mismo partido.
Indefinido ayer, anoche, en 2010, el lunes pasado, el año pasado Ayer voté en las elecciones.
Perfecto hoy, esta semana, este mes, este año, últimamente Este año he cambiado de partido.

Gebruik deze tabel als snelle checklist als je een zin maakt.

5. Veelgemaakte fouten en hoe je ze vermijdt

  • 1. “Fui joven” i.p.v. “era joven”
    • Cuando fui joven, el presidente gobernaba…
    • Cuando era joven, el presidente gobernaba…
    • Regel: toestanden in het verleden (leeftijd, gevoelens, weer, context) → imperfecto.
  • 2. Perfecto met afgesloten tijden
    • En 2010, el gobierno ha aprobado una ley.
    • En 2010, el gobierno aprobó una ley.
    • Regel: jaar / datum echt voorbij → indefinido.
  • 3. Imperfecto voor één duidelijke gebeurtenis
    • La semana pasada votaba en las elecciones.
    • La semana pasada voté en las elecciones.
    • Regel: één keer, duidelijk moment → indefinido.
  • 4. Indefinido i.p.v. imperfecto bij gewoontes
    • Durante el primer mandato, votamos con preocupación.
    • Durante el primer mandato, votábamos con preocupación.
    • Regel: herhaling in een periode → imperfecto.

6. Stap-voor-stap: zo kies je de juiste tijd

  1. Stap 1 – Vraag: gaat het om decor of actie?
    • Decor / situatie / gewoonte → imperfecto
    • Concrete actie / gebeurtenis → ga naar stap 2
  2. Stap 2 – Is het moment duidelijk afgesloten?
    • Ja, duidelijke tijd in het verleden (en 2010, ayer…) → indefinido
    • Nee, de periode loopt nog (hoy, esta semana…) → perfecto
  3. Stap 3 – Speelt het resultaat nú nog een rol?
    • Ja → perfecto (Hoy he votado → ik ben nu al klaar.)
    • Nee → meestal indefinido (Ayer voté → gewoon een feit in het verleden.)

7. Zelfcheck: begrijp ik het verschil nu?

Lees elke vraag en controleer of je spontaan een voorbeeld kunt geven.

  • Imperfecto
    • Kun je een zin maken met een politieke gewoonte uit je jeugd?
      (Bijv. Cuando era estudiante, siempre votaba…)
  • Indefinido
    • Kun je één concrete verkiezing beschrijven met jaar en resultaat?
      (Bijv. En 2019 voté a…)
  • Perfecto
    • Kun je zeggen wat je deze week of vandaag hebt gedaan in verband met politiek?
      (Bijv. Hoy he leído una noticia sobre el gobierno.)

Kun je voor elke tijd minstens twee eigen zinnen maken? Dan ben je klaar om dit in gesprek te oefenen.

Tiempo verbal (Werkwoordstijd)Regla (Regel)Ejemplo (Voorbeeld)
Pretérito imperfectoAcciones en progreso o habituales en el pasado (Voortdurende of gewone handelingen in het verleden)Cuando era joven, el presidente gobernaba con su ministro. (Toen hij jong was, regeerde de president samen met zijn minister.)
Pretérito indefinidoAcciones completadas en el pasado (Afgeronde handelingen in het verleden)En 2010, la princesa visitó el parlamento. (In 2010 bezocht de prinses het parlement.)
Pretérito perfectoAcciones pasadas que afectan el presente (Verleden handelingen die invloed hebben op het heden)Esta semana, he votado en las elecciones del gobierno. (Deze week heb ik bij de regeringsverkiezingen gestemd.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Esta semana el presidente ___ el parlamento y ha hablado sobre las próximas elecciones.

Esta semana el presidente ___ el parlamento y ha hablado sobre las próximas elecciones.)

2. En 2010 el gobierno ___ una nueva ley sobre los partidos políticos.

En 2010 el gobierno ___ una nueva ley sobre los partidos políticos.)

3. Cuando ___ joven, el juez ___ en un pequeño tribunal de una ciudad de Galicia.

Cuando ___ joven, el juez ___ en un pequeño tribunal de una ciudad de Galicia.)

4. Ayer el primer ministro ___ en la televisión, pero hoy los ciudadanos ya ___ su discurso.

Ayer el primer ministro ___ en la televisión, pero hoy los ciudadanos ya ___ su discurso.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin die correct een van de verleden tijden in het Spaans gebruikt (pretérito imperfecto, pretérito indefinido, pretérito perfecto), rekening houdend met de context en de betekenis van de handeling in het verleden.

1.
Fout: 'fui joven' duidt op een eenmalige gebeurtenis, niet op een gewoonte. Hier moet pretérito imperfecto worden gebruikt om een gewoonte of toestand te beschrijven.
Fout: pretérito indefinido drukt een eenmalige en afgesloten handeling uit, maar de zin wil een gewoonte in het verleden aangeven.
2.
Fout: pretérito imperfecto wordt niet gebruikt voor een specifieke actie op een duidelijk afgebakende tijd zoals 'vorige week'.
Hoewel grammaticaal correct, wordt voor recente handelingen met onvoltooide tijdsaanduidingen zoals 'deze week' vaker pretérito perfecto gebruikt.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen door het onderstreepte werkwoord te veranderen in de aangegeven verleden tijd tussen haakjes (onvoltooid verleden tijd, voltooid verleden tijd of voltooid tegenwoordige tijd). Behoud dezelfde temporele betekenis waar mogelijk.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Todos los días el presidente trabaja con su equipo. (pretérito imperfecto)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Todos los días el presidente trabajaba con su equipo.
    (Todos los días el presidente trabajaba con su equipo.)
  2. Esta semana pago los impuestos en la oficina de Hacienda. (pretérito perfecto)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Esta semana he pagado los impuestos en la oficina de Hacienda.
    (Esta semana he pagado los impuestos en la oficina de Hacienda.)
  3. Ayer la ministra habla con los periodistas en el parlamento. (pretérito indefinido)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ayer la ministra habló con los periodistas en el parlamento.
    (Ayer la ministra habló con los periodistas en el parlamento.)
  4. Cuando era estudiante, yo voy a muchas manifestaciones. (pretérito imperfecto)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Cuando era estudiante, yo iba a muchas manifestaciones.
    (Cuando era estudiante, yo iba a muchas manifestaciones.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Beschrijf eerdere verkiezingen en vertel over jouw stemervaring.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
En un café, hablas con un colega sobre elecciones y el gobierno pasado.
(In een café praat je met een collega over verkiezingen en de vorige regering.)

Bespreek
  • ¿Cómo eran las campañas políticas cuando vivías en tu país hace años? (Hoe waren de politieke campagnes toen je jaren geleden in jouw land woonde?)
  • Cuéntame una elección importante en tu vida: ¿qué pasó exactamente? (año, partido, resultado) (Vertel over een belangrijke verkiezing in je leven: wat gebeurde er precies? (jaar, partij, resultaat))

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Cuando era joven, el presidente gobernaba con su ministro. (Toen ik jong was, bestuurde de president samen met zijn minister.)
  • En 2010 voté a un partido diferente. (In 2010 heb ik op een andere partij gestemd.)
  • Últimamente he votado en elecciones locales y nacionales. (De laatste tijd heb ik gestemd bij lokale en landelijke verkiezingen.)

Gebruik in gesprek
  • pretérito imperfecto (imperfectum (pretérito imperfecto))
  • pretérito indefinido (indefinido (pretérito indefinido))
  • pretérito perfecto (perfecto (pretérito perfecto))

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage