1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (18)

El monumento

El monumento Show

Het monument Show

La estatua

La estatua Show

Het standbeeld Show

El palacio

El palacio Show

Het paleis Show

El museo nacional

El museo nacional Show

Het nationaal museum Show

La plaza mayor

La plaza mayor Show

Het centrale plein Show

El centro histórico

El centro histórico Show

Het historische centrum Show

La ciudad cosmopolita

La ciudad cosmopolita Show

De kosmopolitische stad Show

El mercado local

El mercado local Show

De lokale markt Show

La calle peatonal

La calle peatonal Show

De voetgangersstraat Show

La boca de metro

La boca de metro Show

De metro-ingang Show

El paseo guiado

El paseo guiado Show

Een wandeling met gids Show

Hacer una foto

Hacer una foto Show

Een foto nemen Show

Mandar una postal

Mandar una postal Show

Een ansichtkaart sturen Show

Ver una exposición

Ver una exposición Show

Een tentoonstelling bekijken Show

Ir de paseo

Ir de paseo Show

Een wandeling maken Show

Consultar un mapa

Consultar un mapa Show

Een kaart raadplegen Show

Mirar un plano de metro

Mirar un plano de metro Show

Naar een metrokaart kijken Show

Coger un taxi

Coger un taxi Show

Een taxi nemen Show

3. Grammatica

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Fin de semana en el centro histórico

Woorden om te gebruiken: monumento, mapa, paseo, plaza, centro, peatonal, histórico, palacio

(Weekend in het historische centrum)

Este fin de semana la ciudad ofrece un guiado gratuito por el . El recorrido empieza en la mayor, continúa por la calle principal y termina en el más antiguo de la ciudad. Durante el paseo, el guía explica la historia de cada y de las estatuas más importantes.

Para participar, los turistas deben ir a la oficina de turismo una hora antes del inicio, consultar un de la zona y reservar su plaza. Es posible coger un taxi hasta la boca de metro más cercana y, desde allí, caminar cinco minutos. Al final del paseo, los visitantes pueden hacer una foto del grupo y mandar una postal con una vista de la ciudad cosmopolita a sus amigos o familiares.
Dit weekend biedt de stad een gratis rondleiding door het historische centrum. De route begint op het hoofdplein, loopt verder over de belangrijkste winkel- en voetgangersstraat en eindigt bij het oudste paleis van de stad. Tijdens de rondleiding vertelt de gids de geschiedenis van elk monument en van de belangrijkste standbeelden.

Om deel te nemen moeten toeristen een uur voor aanvang naar het VVV-kantoor gaan, een kaart van het gebied raadplegen en hun plek reserveren. Het is mogelijk om een taxi te nemen tot de dichtstbijzijnde metro-ingang en vanaf daar vijf minuten te lopen. Aan het einde van de rondleiding kunnen de bezoekers een groepsfoto maken en een ansichtkaart met een uitzicht op de kosmopolitische stad naar vrienden of familie sturen.

  1. ¿Qué lugares visita el paseo guiado por la ciudad?

    (Welke plekken bezoekt de rondleiding door de stad?)

  2. ¿Qué tienen que hacer los turistas antes del inicio del paseo?

    (Wat moeten de toeristen doen vóór de start van de rondleiding?)

  3. ¿Cómo pueden llegar los turistas desde lejos hasta el punto de encuentro?

    (Hoe kunnen toeristen van ver naar de ontmoetingsplaats komen?)

  4. En tu opinión, ¿qué te gusta más visitar en una ciudad nueva y por qué?

    (Naar jouw mening: wat bezoek je het liefst in een nieuwe stad en waarom?)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. ¿___ te has perdido en el centro histórico si has consultado el mapa varias veces?

(___ ben je verdwaald in het historische centrum als je de kaart meerdere keren hebt geraadpleegd?)

2. Me he perdido ___ he mirado mal el plano de metro y he caminado en la dirección contraria.

(Ik ben verdwaald ___ ik de metrokaart verkeerd heb gelezen en in de verkeerde richting ben gelopen.)

3. Después, ___ caminado hasta la plaza mayor y ___ visitado un museo nacional muy interesante.

(Daarna ___ we naar het grote plein gelopen en ___ een heel interessant nationaal museum bezocht.)

4. Al final del día ___ visitado el mercado local ___ queremos comprar recuerdos para nuestros amigos.

(Aan het eind van de dag ___ we de lokale markt bezocht ___ we souvenirs voor onze vrienden willen kopen.)

Oefening 3: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 4: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Estás en la oficina de turismo de Madrid. Quieres información sobre *el centro histórico* para esta tarde. Pide información al empleado. (Usa: el centro histórico, un mapa, por la tarde)

(Je bent bij de VVV in Madrid. Je wilt informatie over *het historische centrum* voor vanmiddag. Vraag de medewerker om informatie. (Gebruik: het historische centrum, een plattegrond, vanmiddag))

Quiero visitar  

(Ik wil het ... bezoeken)

Voorbeeld:

Quiero visitar el centro histórico esta tarde. ¿Tiene un mapa y alguna recomendación para un paseo corto?

(Ik wil vanmiddag het historische centrum bezoeken. Heeft u een plattegrond en misschien een aanbeveling voor een korte wandeling?)

2. Estás con unos compañeros de trabajo en Barcelona. Queréis ver *la plaza mayor* y tomar algo cerca. Pregunta a una persona local dónde está y cómo llegar. (Usa: la plaza mayor, cerca de aquí, ir a pie)

(Je bent met collega’s in Barcelona. Jullie willen *het hoofdplein* zien en iets drinken in de buurt. Vraag een local waar het is en hoe je er kunt komen. (Gebruik: het hoofdplein, in de buurt, te voet gaan))

Perdone, la plaza  

(Pardon, het plein ...)

Voorbeeld:

Perdone, la plaza mayor, ¿está cerca de aquí? ¿Podemos ir a pie desde esta calle?

(Pardon, is het hoofdplein hier in de buurt? Kunnen we vanaf deze straat te voet naartoe?)

3. Vas solo por la ciudad y necesitas ir rápido al hotel para una reunión online. Decides *coger un taxi*. Pide un taxi en la recepción del hotel o por teléfono. (Usa: coger un taxi, llegar rápido, la dirección del hotel)

(Je loopt alleen door de stad en moet snel naar het hotel voor een online vergadering. Je besluit *een taxi te nemen*. Vraag bij de receptie of per telefoon om een taxi. (Gebruik: een taxi nemen, snel aankomen, het adres van het hotel))

Necesito coger  

(Ik moet een taxi ... nemen)

Voorbeeld:

Necesito coger un taxi para ir al hotel muy rápido. La dirección del hotel es Calle Mayor 25, ¿puede llamar a un taxi, por favor?

(Ik moet een taxi nemen om snel naar het hotel te gaan. Het adres van het hotel is Calle Mayor 25 — kunt u alstublieft een taxi bellen?)

4. Estás en el *museo nacional* con una amiga. Queréis *ver una exposición* sobre arte moderno esta mañana. Pregunta en la taquilla y explica qué queréis hacer. (Usa: el museo nacional, ver una exposición, esta mañana)

(Je bent in het *nationale museum* met een vriendin. Jullie willen *een tentoonstelling zien* over moderne kunst vanmorgen. Vraag het bij de kassa en leg uit wat jullie willen doen. (Gebruik: het nationale museum, een tentoonstelling zien, vanmorgen))

Buenos días, queremos  

(Goedemorgen, we willen ...)

Voorbeeld:

Buenos días, queremos ver una exposición de arte moderno en el museo nacional esta mañana. ¿Dónde está la exposición y cuánto cuesta la entrada?

(Goedemorgen, we willen vanmorgen een tentoonstelling over moderne kunst zien in het nationale museum. Waar is de tentoonstelling en hoeveel kost de toegangsprijs?)

Oefening 5: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 6 of 8 zinnen om een ideale dag als toerist in een stad die je leuk vindt te beschrijven. Leg uit welke plekken je bezoekt en waarom.

Nuttige uitdrukkingen:

Me gusta visitar... porque... / Normalmente empiezo el día en... / Después puedo ir a... para... / Termino el día paseando por...

Ejercicio 6: Gespreksoefening

Instrucción:

  1. Describe lo que este turista está haciendo en las fotos. (Beschrijf wat deze toerist doet op de foto's.)
  2. Imagina un diálogo entre el turista y el personal de la oficina de turismo. (Stel je een dialoog voor tussen de toerist en het personeel van het VVV-kantoor.)
  3. ¿Todavía envías postales de tus vacaciones? ¿A quién las envías? (Stuur je nog steeds ansichtkaarten vanaf je vakantie? Naar wie stuur je ze?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

La mujer toma un taxi.

De vrouw neemt een taxi.

Consulté las indicaciones en el mapa.

Ik heb de route op de kaart opgezocht.

¿Me puede decir cómo llegar al monumento?

Kunt u mij vertellen hoe ik bij het monument kom?

¿Tienes descuento para estudiantes?

Hebt u een studenten korting?

Uso mi teléfono para llegar al museo.

Ik gebruik mijn telefoon om naar het museum te navigeren.

¿Puedes hacerme una foto?

Kun je een foto van mij maken?

Tengo que enviar una postal a mi familia.

Ik moet een ansichtkaart naar mijn familie sturen.

...