De voorzetsels "Por" en "Para"

Las preposiciones "Por" y "Para"


"Por" y "para" pueden parecer similares, pero tienen significados y usos distintos.

("Por" en "para" kunnen op elkaar lijken, maar ze hebben verschillende betekenissen en gebruiken.)

Por of para? Denk eerst aan de vraag: waarom of waarvoor/waarheen?

Kies het voorzetsel door jezelf eerst één controlevraag te stellen:

  • por = waarom? (oorzaak) / hoe? (middel) / hoe lang? (duur)
  • para = waarvoor? (doel) / voor wie? (ontvanger) / waarheen? (bestemming)

Snelle beslisboom (A2-proof)

  1. Bestemming of richting?para
    • Salimos para el aeropuerto. (We vertrekken naar de luchthaven.)
  2. Doel / bedoeling (om te…)?para
    • Llamé para comprar un billete. (Ik belde om een ticket te kopen.)
  3. Ontvanger (voor wie)?para
    • Este correo es para mi jefe. (Deze mail is voor mijn baas.)
  4. Oorzaak / reden (waardoor)?por
    • Cancelamos la excursión por el mal tiempo. (Vanwege het slechte weer.)
  5. Middel / kanaal (via wat)?por
    • Reservamos el vuelo por Internet. (Via internet.)
  6. Duur (hoe lang)?por
    • Viajamos por dos semanas. (Twee weken lang.)

Por = oorzaak, middel, duur (met typische NL-valkuilen)

Betekenis Vraag Voorbeeld Let op (fout)
Oorzaak Waarom? No fuimos a la playa por la lluvia. No fuimos… para la lluvia.
Middel/kanaal Hoe? Via wat? Pagué por tarjeta. / Lo compré por Internet. Lo compré para Internet.
Duur Hoe lang? Nos quedamos en Valencia por tres días. para tres días.

Para = doel, ontvanger, bestemming

Betekenis Vraag Voorbeeld Let op (fout)
Doel/bedoeling Waarvoor? Met welk doel? Estudio español para mi trabajo. por mi trabajo. (klinkt als “door mijn werk”)
Ontvanger Voor wie? Este documento es para el cliente. … es por el cliente.
Bestemming/richting Waarheen? El tren sale para Barcelona. … sale por Barcelona. (dat is “via Barcelona”)

Heel belangrijk verschil: bestemming vs. ‘via’

  • para = eindpunt/bestemming: Voy para Madrid.
  • por = route/doorheen/via: Pasamos por Madrid.

Handige check:

  • Kun je in het Nederlands naar zetten? → para
  • Kun je via/door zetten? → por

Zelfcheck in 15 seconden (voor je antwoord invult)

  1. Markeer het zinsdeel na het voorzetsel (bijv. Internet, dos semanas, el aeropuerto).
  2. Stel één vraag: waarom / hoe / hoe lang of waarvoor / voor wie / waarheen?
  3. Kies dan pas por of para.

Mini-voorbeeld: Compré el billete ___ Internet. → vraag: “hoe/ via wat?” → por.

Wat je vooral moet onthouden

  • por = reden, kanaal/middel, duur.
  • para = doel, ontvanger, bestemming.
  • Twijfel je? Denk in het Nederlands: vanwege/via/gedurende → por; om/voor/naar → para.
  1. "Por" kan oorzaak, motief, reden en de duur van een handeling uitdrukken.
  2. "Para" kan de intentie, het doel of de bedoeling van een handeling uitdrukken; het geeft de ontvanger en de richting naar een bestemming aan.
Preposición (Voorzetsel)Uso (Gebruik)Ejemplo (Voorbeeld)
PorCausa (Oorzaak)Hemos cancelado la excursión por el mal tiempo. (We hebben de excursie geannuleerd vanwege het slechte weer.)
Medio (Middel)Hemos reservado el vuelo por Internet. (We hebben de vlucht via internet geboekt.)
Duración (Duur)Hemos viajado por dos semanas a España. (We zijn twee weken lang naar Spanje gereisd.)
ParaFinalidad (Doel)He llamado a la agencia para comprar un billete. (Ik heb het reisbureau gebeld om een ticket te kopen.)
Destinatario (Ontvanger)Este mapa es para los turistas. (Deze kaart is voor de toeristen.)
Dirección (Richting)El autobús ha salido para el aeropuerto a las 8. (De bus is om 8 uur vertrokken naar de luchthaven.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Compré el billete de avión ____ Internet, porque era más barato.

Ik kocht het vliegticket ____ internet, omdat het goedkoper was.

2. Fuimos a la oficina de turismo ____ pedir un mapa de la ciudad.

We gingen naar het toeristenbureau ____ een plattegrond van de stad te vragen.

3. La excursión se canceló ____ el mal tiempo y por motivos de seguridad.

De excursie werd geannuleerd ____ het slechte weer en om veiligheidsredenen.

4. El autobús sale ____ el aeropuerto a las ocho, así que salgan con tiempo.

De bus vertrekt om acht uur ____ de luchthaven, dus vertrek op tijd.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf elke zin met de juiste voorzetsel (por of para) volgens de aangegeven betekenis: oorzaak, middel, duur, doel, ontvanger of richting.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Reservé las entradas Internet.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Reservé las entradas por Internet.
    (Ik heb de kaartjes via internet gereserveerd.)
  2. Estudio español mi trabajo.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Estudio español para mi trabajo.
    (Ik studeer Spaans voor mijn werk.)
  3. El tren sale Barcelona a las 7:30.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    El tren sale para Barcelona a las 7:30.
    (De trein vertrekt om 7:30 naar Barcelona.)
  4. No fuimos a la playa la lluvia.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    No fuimos a la playa por la lluvia.
    (We gingen niet naar het strand vanwege de regen.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage