Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Cartel informativo del 112 en la oficina
Woorden om te gebruiken: ambulancia, emergencia, teléfono, de, botiquín, bomberos, emergencia
(Informatiebord over alarmnummer 112 op kantoor)
En el tablón de anuncios de la oficina hay un cartel sobre el 112. Explica que debes llamar solo cuando hay un accidente grave, fuego o problema médico importante. El cartel dice que es gratis y funciona las 24 horas. También recuerda que no debes colgar mientras el operador hace preguntas.
En el cartel aparecen los iconos de la policía, los y la . Debajo, hay consejos: primero, decir la dirección exacta; segundo, explicar qué pasa; tercero, indicar si hay personas heridas. Al final, el cartel recomienda tener un pequeño en la oficina y en casa para una pequeña, por ejemplo, un corte o un dolor de cabeza.Op het prikbord op kantoor hangt een poster over het alarmnummer 112. Er staat dat je alleen moet bellen bij een ernstig ongeluk, brand of een ernstig medisch probleem. De poster vermeldt dat het gratis is en 24 uur per dag bereikbaar is. Ook staat erop dat je niet mag ophangen terwijl de centralist vragen stelt.
Op de poster staan pictogrammen van de politie, de brandweer en de ambulance. Daaronder staan tips: ten eerste de exacte adresgegevens doorgeven; ten tweede uitleggen wat er aan de hand is; ten derde aangeven of er gewonden zijn. Tot slot raadt de poster aan een kleine EHBO-doos op kantoor en thuis te hebben voor een kleine noodsituatie, bijvoorbeeld bij een snijwond of hoofdpijn.
-
¿En qué situaciones recomienda el cartel llamar al 112?
(In welke situaties raadt de poster aan 112 te bellen?)
-
¿Qué información tienes que dar primero cuando llamas al 112, según el cartel?
(Welke informatie moet je als eerste geven als je 112 belt, volgens de poster?)
-
¿Qué servicios de emergencia aparecen en los iconos del cartel?
(Welke hulpdiensten staan afgebeeld op de pictogrammen van de poster?)
-
En tu país o ciudad, ¿dónde tienes información sobre números de emergencia: en casa, en el trabajo o en el móvil?
(In jouw land of stad: waar vind je informatie over noodnummers — thuis, op het werk of op je mobiel?)
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel de items die een verwante betekenis hebben.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Cuando vivía en Madrid, siempre ___ al mismo hospital cuando tenía una emergencia.
(Toen ik in Madrid woonde, ging ik altijd ___ naar hetzelfde ziekenhuis als ik een noodgeval had.)2. En mi antiguo trabajo, yo ___ a llamar a la ambulancia cuando un compañero se sentía mal.
(Bij mijn oude baan ___ ik met het bellen van de ambulance wanneer een collega zich slecht voelde.)3. Antes, los vecinos ___ directamente a la sala de urgencias aunque no era una situación muy grave.
(Vroeger ___ de buren rechtstreeks naar de eerstehulp, ook al was het geen heel ernstige situatie.)4. Cuando yo era voluntario en la Cruz Roja, siempre ___ a las personas a explicar su problema por teléfono de emergencia.
(Toen ik vrijwilliger was bij het Rode Kruis, ___ ik mensen altijd hun klacht uit te leggen via het alarmnummer.)Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 5: Discussievragen
Instructie: Beantwoord de vragen met het vocabulaire uit dit hoofdstuk.
Nuttige uitdrukkingen:
Llamé al 112 y expliqué… / La ambulancia suele llegar en unos… / Dije la dirección y los síntomas: …
-
Imagina que ves un accidente de tráfico en tu calle. ¿Qué haces primero y a qué servicio llamas?
Stel je voor dat je een verkeersongeval in jouw straat ziet. Wat doe je eerst en welk hulpnummer bel je?
__________________________________________________________________________________________________________
-
Recuerda una emergencia real (en el trabajo o con un familiar). ¿Qué pasó y quién dio ayuda?
Denk aan een echte noodsituatie (op het werk of binnen de familie). Wat gebeurde er en wie verleende hulp?
__________________________________________________________________________________________________________
-
Estás en casa de unos amigos y alguien se pone muy mal. ¿Qué información relevante das por teléfono al 112 y a qué dirección?
Je bent bij vrienden thuis en iemand wordt erg ziek. Welke relevante informatie geef je telefonisch door aan 112 en welk adres noem je?
__________________________________________________________________________________________________________
-
Cuando eras niño/a en tu país, ¿cómo funcionaban los servicios de emergencia y qué recuerdas de entonces?
Toen je als kind in jouw land woonde, hoe werkten de hulpdiensten en wat herinner je je daarvan?
__________________________________________________________________________________________________________
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 5 of 6 zinnen over hoe jij reageert in een noodsituatie op kantoor of thuis.
Nuttige uitdrukkingen:
En caso de emergencia, yo… / Normalmente llamo a… / Primero digo… y después… / En mi casa / oficina tenemos…