Ejercicio: Gespreksoefening
Instrucción:
- Con la ayuda de las imágenes describe lo que tienes que hacer en el aeropuerto y en el avión. (Met behulp van de foto's beschrijf wat je moet doen op het vliegveld en in het vliegtuig.)
- ¿Te gusta volar? ¿Por qué o por qué no? (Hou je van vliegen? Waarom of waarom niet?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
|
Tienes que obtener tu billete en el mostrador de facturación. Je moet je ticket bij de incheckbalie halen. |
|
Es necesario pasar por el control de seguridad. Het is noodzakelijk om de veiligheidscontrole te doorlopen. |
|
En el avión tienes que usar el cinturón de seguridad. In het vliegtuig moet je je veiligheidsgordel gebruiken. |
|
No me gusta volar porque el control de seguridad siempre tarda mucho. Ik hou er niet van om te vliegen omdat de veiligheidscontrole altijd zo lang duurt. |
|
Me gusta viajar en avión porque es muy rápido. Ik ga graag met het vliegtuig omdat het zo snel is. |
|
No me gustan los asientos del avión. No son cómodos. Ik houd niet van de vliegtuigstoelen. Ze zijn niet comfortabel. |
|
El auxiliar de vuelo está mostrando las instrucciones de seguridad. De steward laat de veiligheidsinstructies zien. |
| ... |