Ontdek in deze les het pretérito indefinido van onregelmatige werkwoorden zoals hacer (hice), poder (pude) en ser/ir (fui). Leer de bijzondere stamwijzigingen en correcte uitgangen om verleden gebeurtenissen nauwkeurig te beschrijven.
  1. De uitgangen van onregelmatige werkwoorden zijn: "-e, -iste, -o, -imos, -isteis, -ieron".
  2. De werkwoorden ser en ir worden hetzelfde vervoegd.
  3. Onregelmatige werkwoorden in de pretérito indefinido krijgen in geen enkele vorm een accentteken.
Verbo (Werkwoord)Raíz (Wortstam)Conjugación (Verbuiging)Ejemplo (Voorbeeld)
HacerHic- Hiz-Hice, hiciste, hizo, hicimos, hicisteis, hicieronHice un reportaje sobre las noticias actuales. (Ik maakte een reportage over het actuele nieuws.)
PoderPud-Pude, pudiste, pudo, pudimos, pudisteis, pudieronNo pude volver a ver el programa. (Ik kon het programma niet opnieuw zien.)
PonerPus-Puse, pusiste, puso, pusimos, pusisteis, pusieronMi madre puso la televisión en el salón. (Mijn moeder zette de televisie in de woonkamer.)
QuererQuis-Quise, quisiste, quiso, quisimos, quisisteis, quisieronSiempre quisimos conocer al presentador del noticiero. (We hebben altijd gewild de presentator van het nieuws leren kennen.)
SaberSup-Supe, supiste, supo, supimos, supisteis, supieronNo supe que mi abuelo fue reportero hasta que vi un reportaje suyo.  (Ik wist niet dat mijn opa verslaggever was totdat ik een reportage van hem zag.)
EstarEstuv-Estuve, estuviste, estuvo, estuvimos, estuvisteis, estuvieronNosotros estuvimos en un programa televisivo.  (Wij waren op een televisieprogramma.)
Tener Tuv-Tuve, tuviste, tuvo, tuvimos, tuvisteis, tuvieronYo tuve una televisión pequeña. (Ik had een kleine televisie.)
Dar/Di, diste, dio, dimos, disteis, dieronEl presentador nos dio una buena noticia. (De presentator gaf ons goed nieuws.)
Ser/Fui, fuiste, fue, fuimos, fuisteis, fueronfuiste un presentador. (Jij was een presentator.)
Ir/Ayer fuisteis al programa televisivo. (Gisteren gingen jullie naar het televisieprogramma.)

Uitzonderingen!

  1. Sommige werkwoorden zijn regelmatig maar hebben een verandering in de derde persoon enkelvoud en meervoud. Bijvoorbeeld: dormir-durmió; pedir-pidió; seguir-siguieron; sentir-sintieron
  2. Sommige werkwoorden ondergaan ook een medeklinkerwisseling in de derde persoon enkelvoud en meervoud. Bijvoorbeeld: leer-leyó
  3. Werkwoorden die eindigen op -zar; -gar en -car veranderen -z in -c; -g in -gu; -c in -qu in de eerste persoon enkelvoud. Bijvoorbeeld: pagar-pagué

Oefening 1: El pretérito indefinido: Los verbos irregulares

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

dio, fuiste, navegó, quise, supimos, tuvimos, fue

1.
El programa ... interesante.
(Het programma was interessant.)
2.
Él ... reportero.
(Hij was verslaggever.)
3.
¿Tú ... al parque?
(Ben jij naar het park gegaan?)
4.
Nosotros ... las noticias actuales.
(Wij wisten het actuele nieuws.)
5.
El reportero ... muchos detalles en el reportaje.
(De verslaggever gaf veel details in het verslag.)
6.
Yo ... volver a casa para ver el programa.
(Ik wilde naar huis teruggaan om het programma te kijken.)
7.
Él ... por internet.
(Hij surfte op het internet.)
8.
Nosotros ... nuestro programa favorito.
(Wij hadden ons favoriete programma.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Selecteer de juiste zin in de onvoltooid verleden tijd van regelmatige of onregelmatige werkwoorden voor elke situatie. Let op de uitgangen en accenten, en vermijd veelvoorkomende fouten in de vervoeging van de onvoltooid verleden tijd.

1.
Error: La forma 'vié' no existe; 'ver' se conjuga como 'vi' en primera persona singular del pretérito.
Error: El verbo 'ver' en pretérito indefinido no lleva tilde en primera persona singular. 'Ví' es incorrecto.
2.
Error: No existe la forma 'preguntamosé'; la forma correcta para 'nosotros' en pretérito es 'preguntamos'.
Error: Aunque la forma 'preguntamos' es igual en presente y pretérito, en esta frase el contexto es adecuado; esta opción se mantiene como correcta.
3.
Error: Falta la tilde en 'explicó', que es necesaria para diferenciar el pretérito del presente.
Error: 'Explició' no es una forma correcta; la terminación correcta para la tercera persona singular es '-ó' con tilde.
4.
Error: 'Vivieronon' no existe; la terminación correcta es '-ieron' sin letras adicionales.
Error: 'Vivió' es tercera persona singular, no plural. La forma correcta para 'ellos' es 'vivieron'.

Inleiding: Het onvoltooide verleden tijd (pretérito indefinido) en onregelmatige werkwoorden

In deze les leer je over het gebruik van het pretérito indefinido, een verleden tijd in het Spaans die vaak wordt gebruikt om acties te beschrijven die in het verleden zijn voltooid. Deze les richt zich speciaal op onregelmatige werkwoorden in deze tijd, die niet volgens de standaardregels worden vervoegd.

Wat leer je in deze les?

  • De stamveranderingen van veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden zoals hacer (hic-), poder (pud-), poner (pus-), querer (quis-), saber (sup-), estar (estuv-), tener (tuv-), en de werkwoorden dar, ser en ir.
  • De specifieke uitgangen voor deze onregelmatige werkwoorden: -e, -iste, -o, -imos, -isteis, -ieron.
  • Belangrijke uitzonderingen, zoals het feit dat ser en ir identieke vervoegingen hebben in het pretérito indefinido.
  • Veranderingen in de derde persoon enkelvoud en meervoud bij sommige werkwoorden, bijvoorbeeld klinkerwisselingen zoals in dormir (durmió), pedir (pidió) en medeklinkerverandering zoals in leer (leyó).
  • Specifieke regels voor werkwoorden die eindigen op -zar, -gar en -car, waarbij de eerste persoon enkelvoud de spelling aanpast (pagar → pagué).

Voorbeelden van onregelmatige werkwoorden in de pretérito indefinido

Hacer: hice, hiciste, hizo, hicimos, hicisteis, hicieron
Poder: pude, pudiste, pudo, pudimos, pudisteis, pudieron
Poner: puse, pusiste, puso, pusimos, pusisteis, pusieron
Querer: quise, quisiste, quiso, quisimos, quisisteis, quisieron
Saber: supe, supiste, supo, supimos, supisteis, supieron
Estar: estuve, estuviste, estuvo, estuvimos, estuvisteis, estuvieron
Tener: tuve, tuviste, tuvo, tuvimos, tuvisteis, tuvieron
Dar: di, diste, dio, dimos, disteis, dieron
Ser / Ir: fui, fuiste, fue, fuimos, fuisteis, fueron

Belangrijke aandachtspunten

  • Onregelmatige werkwoorden in deze tijd hebben geen accenttekens (tilde) op hun vormen.
  • Sommige werkwoorden zijn regulier, maar veranderen in de derde persoon, zoals dormir → durmió en pedir → pidió.
  • Werkwoorden die eindigen op -zar, -gar en -car veranderen hun spelling in de eerste persoon enkelvoud om de uitspraak te behouden (bijvoorbeeld: pagar → pagué).

Verschillen tussen het Nederlands en Spaans in verleden tijden

In het Spaans wordt het pretérito indefinido gebruikt voor afgeronde handelingen die duidelijk in het verleden zijn gebeurd, vergelijkbaar met de onvoltooide verleden tijd in het Nederlands, maar met een iets bredere toepassing. Daarbij heeft Spaans onregelmatige vormen die je moet memoriseren, terwijl het Nederlands vaak reguliere werkwoordsvormen hanteert met enkele uitzonderingen.

Voorbeelden van nuttige woorden en hun Nederlandse equivalenten:
Hacer = doen/maken
Poder = kunnen
Poner = zetten/leggen
Querer = willen
Saber = weten
Estar = zijn (toestand)
Tener = hebben
Dar = geven
Ser = zijn (identiteit)
Ir = gaan

Let op dat Spaans in de verleden tijd de persoonsuitgangen toont die in het Nederlands vaak uit de context moeten worden begrepen of met hulpwerkwoorden worden gevormd. Het correct vervoegen van onregelmatige werkwoorden is essentieel om je communicatie duidelijk en vloeiend te maken.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage