Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Un nuevo negocio en el barrio

Woorden om te gebruiken: maletín, idea, tarjeta de visita, socio, gestoría, impuestos, sueño, optimista

(Een nieuw bedrijf in de buurt)

Luis es ingeniero y vive en Valencia. Siempre ha tenido el de tener su propio negocio. Ahora quiere montar una pequeña gestoría en su barrio para ayudar a autónomos y a pequeñas empresas.

Tiene una clara: ofrecer un servicio sencillo y personal. Cada mañana va a la oficina muy temprano, abre la puerta, enciende el ordenador y organiza las facturas del día anterior. Después revisa los de sus clientes y prepara los pagos. A veces tiene dudas y llama a otra para preguntar.

Luis todavía no tiene muchos clientes, pero es muy . Ha preparado una con su nombre, su correo electrónico y su teléfono. También compra un nuevo para llevar los documentos cuando va a las reuniones. Su próximo paso es buscar un para desarrollar el negocio y organizar reuniones con posibles clientes del barrio.
Luis is ingenieur en woont in Valencia. Hij heeft altijd de droom gehad om zijn eigen onderneming te hebben. Nu wil hij een klein administratiekantoor in zijn buurt starten om zelfstandigen en kleine bedrijven te helpen.

Hij heeft een duidelijk idee : een eenvoudige en persoonlijke service aanbieden. Elke ochtend gaat hij heel vroeg naar kantoor, doet de deur open, zet de computer aan en organiseert de facturen van de vorige dag. Daarna controleert hij de belastingen van zijn klanten en maakt hij de betalingen klaar. Soms heeft hij twijfels en belt hij een ander administratiekantoor om advies te vragen.

Luis heeft nog niet veel klanten, maar hij is erg optimistisch . Hij heeft een visitekaartje laten drukken met zijn naam, zijn e-mailadres en zijn telefoonnummer. Daarnaast koopt hij een nieuwe aktetas om de documenten in mee te nemen als hij naar vergaderingen gaat. Zijn volgende stap is een partner zoeken om de zaak verder te ontwikkelen en vergaderingen te organiseren met mogelijke klanten uit de buurt.

  1. ¿Qué tipo de negocio quiere montar Luis y para quién es este servicio?

    (Wat voor soort bedrijf wil Luis beginnen en voor wie is deze service bedoeld?)

  2. ¿Qué hace Luis cada mañana cuando llega a la oficina?

    (Wat doet Luis elke ochtend als hij op kantoor aankomt?)

  3. ¿Qué planes tiene Luis para el futuro de su negocio?

    (Welke plannen heeft Luis voor de toekomst van zijn bedrijf?)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel de items die een verwante betekenis hebben.

Montar un negocio — Empezar una empresa (Montar un negocio — Empezar una empresa)
Tener una tienda — Ser propietario de una tienda (Tener una tienda — Ser propietario de una tienda)
Ganar dinero — Obtener beneficios (Ganar dinero — Obtener beneficios)
Organizar reuniones — Convocar citas con clientes (Organizar reuniones — Convocar citas con clientes)
La gestoría — La oficina del gestor (La gestoría — La oficina del gestor)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Para empezar con nuestro negocio, __ un plan de marketing efectivo.

(Om met onze eigen zaak te beginnen, __ een effectief marketingplan ontwikkelen.)

2. Si conseguimos clientes, __ las reuniones semanales con mucha organización.

(Als we klanten krijgen, __ de wekelijkse vergaderingen met veel organisatie.)

3. Cuando __ todos los papeles, podremos abrir la tienda.

(Wanneer __ alle papieren, kunnen we de winkel openen.)

4. __ mucho dinero si nuestros socios confían en el proyecto.

(__ veel geld als onze partners vertrouwen in het project hebben.)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Discussievragen

Instructie: Beantwoord de vragen met het vocabulaire uit dit hoofdstuk.

Nuttige uitdrukkingen:

Me gustaría tener un negocio de... porque... / En mi día a día tengo que... y también... / Con mi socio / con la gestoría organizamos...

  1. ¿Qué tipo de negocio te gustaría montar en España y por qué?
    Welk soort bedrijf zou je graag in Spanje willen beginnen en waarom?

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Imagina que ya tienes tu propio negocio. ¿Qué haces tú cada día y qué hace tu socio o socia?
    Stel dat je al je eigen bedrijf hebt. Wat doe jij elke dag en wat doet jouw vennoot of partner?

    __________________________________________________________________________________________________________

  3. Tienes una reunión con la gestoría mañana. ¿Qué dudas quieres preguntar o qué documentos debes llevar?
    Je hebt morgen een afspraak met de administratiekantoor/boekhouder. Welke vragen wil je stellen of welke documenten moet je meenemen?

    __________________________________________________________________________________________________________

  4. En tu negocio, ¿cómo organizas el tiempo entre atender a clientes y hacer la contabilidad y los impuestos?
    In jouw bedrijf, hoe verdeel je de tijd tussen het helpen van klanten en het doen van de boekhouding en het betalen van belastingen?

    __________________________________________________________________________________________________________

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 5 of 6 regels over een bedrijf dat je in de toekomst zou willen hebben: wat voor bedrijf het is, wat je elke dag doet en waarom je dit idee leuk vindt.

Nuttige uitdrukkingen:

Me gustaría tener un negocio de… / Cada día tengo que… / Mi cliente ideal es… / En el futuro quiero desarrollar…