"Que" se usa en oraciones relativas para dar más información sobre el sustantivo.

( "Que" wordt gebruikt in betrekkelijke bijzinnen om meer informatie te geven over het zelfstandig naamwoord.)

1. Wat doet que in deze zinnen?

  • que = "die / dat" in het Nederlands.
  • Het verbindt twee zinnen en geeft extra informatie over een zelfstandig naamwoord.
Losse zinnen Met que Betekenis NL
La merienda es muy ligera.
Como una merienda.
La merienda que como es muy ligera. De snack die ik eet is heel licht.
El menú tiene muchas verduras.
Busco un menú.
Busco un menú que tiene muchas verduras. Ik zoek een menu dat veel groenten heeft.

Belangrijk: que verwijst in al je voorbeelden naar dingen én personen.

2. Basispatroon: waar staat que?

Onthoud dit schema:

  • zelfstandig naamwoord + que + werkwoord + rest van de zin
Onderdeel Voorbeeld Wat is het?
zelfstandig naamwoord La merienda "de snack" (waar je info over geeft)
que que "die / dat"
werkwoord como "ik eet"
rest van de zin es muy ligera "is heel licht"

Check jezelf:

  • Heb je eerst een zelfstandig naamwoord (la merienda, el menú, mi amiga)?
  • Komt daarna que?
  • Komt direct daarna een werkwoord (como, comimos, trabaja)?

Als het antwoord drie keer "ja" is, zit je meestal goed.

3. Personen en dingen: altijd que

In het Spaans op dit niveau maak je het jezelf makkelijk:

  • Voor dingen (la merienda, el refresco, el menú) → gebruik que.
  • Voor personen (mi amiga, la dietista, mi compañero) → ook gewoon que.
Soort woord Goed Fout
Ding El refresco que bebemos… El refresco quien bebemos…
Persoon Tengo una amiga que trabaja como dietista. Tengo una amiga quien trabaja…

Regel voor A2: twijfel je? Kies altijd que.

4. Punt of geen punt: beperkend of extra info

Je ziet twee soorten zinnen:

  1. Zonder komma: de informatie met que is nodig om te weten over wie / wat je het hebt.
  2. Met komma(’s): de informatie met que is extra, een soort bij-opmerking.
Type Spaans Nederlands Wat merk je?
Beperkend Busco un menú que tiene muchas verduras. Ik zoek een menu dat veel groenten heeft. Zonder deze info weet je niet welk menu.
Extra info Mi amiga, que me ha recomendado esta dieta, vive en Madrid. Mijn vriendin, die mij dit dieet heeft aangeraden, woont in Madrid. Tussen komma’s = extra detail.

Tip: als je de que-zin weglaat, moet de hoofdzin nog steeds kloppen.

  • Mi amiga vive en Madrid. → klopt.
  • Busco un menú. → klopt, maar nu mis je wél belangrijke info.

5. Veelgemaakte fouten (en hoe je ze snel ziet)

  • 1. quien gebruiken in plaats van que

Op dit niveau: gewoon niet doen.

Voorbeeld:

  • La receta quien me diste es excelente.
  • La receta que me diste es excelente.
  • 2. Werkwoord niet laten overeenkomen

Het werkwoord hoort nog steeds bij het onderwerp (singular / plural), niet bij que.

Onderwerp Goed Fout
El pan (enkelvoud) El pan que está en la mesa es fresco. El pan que están en la mesa…
Los ingredientes (meervoud) Los ingredientes que usaste están frescos. Los ingredientes que usaste está frescos.

Snelle check: zoek het onderwerp vóór het werkwoord en zorg dat enkelvoud / meervoud klopt.

  • 3. Geen werkwoord na que

Na que moet altijd een werkwoord komen.

  • La dieta que sigo es variada.
  • El menú que incluye verduras es saludable.

El menú que muchas verduras… → hier ontbreekt een werkwoord.

6. Stap-voor-stap: zo maak je zelf een zin met que

  1. Kies het zelfstandig naamwoord waar je iets extra’s over wilt zeggen.
    • Voorbeeld: una dietista, un restaurante, la merienda.
  2. Bedenk de extra informatie als een aparte zin.
    • La dietista trabaja en el hospital.
    • El restaurante tiene opciones saludables.
  3. Laat in die tweede zin het woord herhalen weg (dietista / restaurante / merienda).
    • Trabaja en el hospital.
    • Tiene opciones saludables.
  4. Plak ze aan elkaar met que direct na het zelfstandig naamwoord.
    • La dietista que trabaja en el hospital…
    • He encontrado un restaurante que tiene opciones saludables.

Zelfcheck:

  • Kun je in het Spaans weer twee losse zinnen maken?
  • Kun je in het Nederlands netjes "die / dat" zeggen?

Als dat lukt, gebruik je que goed.

7. Korte samenvatting om te onthouden

  • que = die / dat (voor personen én dingen).
  • Structuur: zelfstandig naamwoord + que + werkwoord + rest.
  • Na que komt altijd een werkwoord.
  • Het werkwoord moet in getal overeenkomen met het onderwerp (el / la vs. los / las).
  • Met komma(’s): extra informatie.
    Zonder komma: noodzakelijke informatie om te weten wie / wat.
  • Twijfel je tussen que en quien? → kies op A2 altijd que.

Lees nu nog één keer een paar voorbeeldzinnen hardop voor jezelf en let op het schema:
sustantivo + que + verbo. Als je dat patroon ziet, ben je op de goede weg.

  1. De betrekkelijke bijzin met "que" staat altijd direct achter het zelfstandig naamwoord waarnaar hij verwijst.
  2. "Que" verwijst naar dingen of naar mensen.
  3. Hij wordt gevormd met: zelfstandig naamwoord + "que" + werkwoord + bijzin.
Sustantivo (Zelfstandig naamwoord)Sustantivo = que relativo (Zelfstandig naamwoord = betrekkelijk voornaamwoord que)Ejemplo (Voorbeeld)
La merienda (Het tussendoortje)Que + verbo + oración subordinadaLa merienda que comí en el restaurante fue saludable. (Het tussendoortje dat ik in het restaurant at, was gezond.)
El refresco (De frisdrank)Que + verbo + oración subordinadaEl refresco que bebimos ayer estuvo bien. (De frisdrank die we gisteren dronken was oké.)
El menú (Het menu)Que + verbo + oración subordinadaEl menú que queremos tiene verduras. (Het menu dat we willen, bevat groenten.)
Mi amiga (Mijn vriendin)Que + verbo + oración subordinada Mi amiga, que me ha recomendado esta dieta también, me ha mostrado unos ejercicios. (Mijn vriendin, die mij dit dieet ook heeft aanbevolen, heeft mij een paar oefeningen laten zien.)

 

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. La dieta ___ te recomiendo tiene muchas verduras y poco azúcar.

Het dieet ___ ik je aanbeveel bevat veel groenten en weinig suiker.)

2. La merienda ___ preparo para la oficina es un yogur con cereales y fruta.

Het tussendoortje ___ ik voor op kantoor maak is een yoghurt met granen en fruit.)

3. El menú semanal ___ necesito debe ser equilibrado porque trabajo muchas horas sentado.

Het weekmenu ___ ik nodig heb moet uitgebalanceerd zijn omdat ik veel uren zittend werk.)

4. Mi amiga, ___ es vegetariana, siempre lleva arroz y verduras al trabajo.

Mijn vriendin, ___ vegetariër is, neemt altijd rijst en groenten mee naar haar werk.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Selecteer de juiste zin waarin het betrekkelijke voornaamwoord 'que' correct wordt gebruikt om meer informatie te geven over het zelfstandig naamwoord, en voorkom veelvoorkomende fouten in het gebruik.

1.
Fout: het werkwoord moet enkelvoud zijn en overeenkomen met 'plato'; 'están' is meervoud en mag hier niet gebruikt worden.
Fout: het juiste betrekkelijke voornaamwoord is 'que', niet 'quien', dat alleen voor personen wordt gebruikt.
2.
Fout: het betrekkelijke voornaamwoord moet 'que' zijn, niet 'quien', omdat het naar een ding verwijst.
Fout: er ontbreekt overeenstemming; het moet 'está' (enkelvoud) zijn en niet 'están', omdat 'pan' enkelvoudig is.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Verbind de twee zinnen en schrijf ze als één zin herschreven met een bijzin met «que».

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Como una merienda. La merienda es muy ligera.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    La merienda que como es muy ligera.
    (De snack die ik eet is heel licht.)
  2. Bebemos un refresco. El refresco no tiene azúcar.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    El refresco que bebemos no tiene azúcar.
    (De frisdrank die we drinken bevat geen suiker.)
  3. Busco un menú. El menú tiene muchas verduras.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Busco un menú que tiene muchas verduras.
    (Ik zoek een menu dat veel groenten bevat.)
  4. Tengo una amiga. Mi amiga trabaja como dietista.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Tengo una amiga que trabaja como dietista.
    (Ik heb een vriendin die als diëtiste werkt.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: In tweetallen beschrijf een gezond menu of een gezonde snack die jullie lekker vinden.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
En la oficina, comparáis los menús semanales y hábitos de merienda.
(Op kantoor vergelijk je de weekmenu's en snackgewoonten.)

Bespreek
  • Describe la merienda que sueles tomar cuando trabajas hasta tarde. (Beschrijf het tussendoortje dat je meestal neemt wanneer je laat doorwerkt.)
  • Habla de un plato típico que comes a menudo y por qué te parece sano; menciona ingredientes y bebidas que acompañan ese plato usando oraciones con que para añadir detalles sobre la comida o la persona que te la recomendó. (Vertel over een typisch gerecht dat je vaak eet en waarom je het gezond vindt; noem ingrediënten en bijpassende dranken en gebruik zinnen met que om details over het eten of over de persoon die het je aanraadde toe te voegen.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • La merienda que tomo en la oficina es equilibrada. (Het tussendoortje dat ik op kantoor neem is uitgebalanceerd.)
  • El menú semanal que sigo tiene arroz, atún y lechuga. (Het weekmenu dat ik volg bevat rijst, tonijn en sla.)
  • El refresco que bebo es zumo de naranja sin azúcar. (Het drankje dat ik drink is sinaasappelsap zonder suiker.)

Gebruik in gesprek
  • sustantivo + que + verbo (zelfstandig naamwoord + que + werkwoord)
  • personas que + verbo (personen que + werkwoord)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage