Ejercicio: Gespreksoefening
Instrucción:
- ¿Qué cosas malas pueden pasar en un viaje? (Wat voor nare dingen kunnen er op een reis gebeuren?)
- ¿Qué puedes hacer cuando te sucede? (Wat kun je doen als het jou overkomt?)
- ¿Te ha sucedido alguna vez una de esas situaciones? (Is een van die situaties ooit bij jou gebeurd?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
|
Tu dinero puede ser robado. Je geld kan gestolen worden. |
|
Alguien puede robarte la bolsa. Iemand kan je tas stelen. |
|
Puedes perderte en una caminata. Je kunt verdwalen tijdens een wandeltocht. |
|
Siempre puedes pedir ayuda a las personas. Je kunt altijd mensen om hulp vragen. |
|
Es importante tener un seguro de viaje. Het is belangrijk om een reisverzekering te hebben. |
|
Ya he perdido mi teléfono una vez. Ik ben mijn telefoon al eens kwijtgeraakt. |
| ... |