Ejercicio: Gespreksoefening

Instrucción:

  1. ¿Qué cosas malas pueden pasar en un viaje? (Wat voor nare dingen kunnen er op een reis gebeuren?)
  2. ¿Qué puedes hacer cuando te sucede? (Wat kun je doen als het jou overkomt?)
  3. ¿Te ha sucedido alguna vez una de esas situaciones? (Is een van die situaties ooit bij jou gebeurd?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Tu dinero puede ser robado.

Je geld kan gestolen worden.

Alguien puede robarte la bolsa.

Iemand kan je tas stelen.

Puedes perderte en una caminata.

Je kunt verdwalen tijdens een wandeltocht.

Siempre puedes pedir ayuda a las personas.

Je kunt altijd mensen om hulp vragen.

Es importante tener un seguro de viaje.

Het is belangrijk om een reisverzekering te hebben.

Ya he perdido mi teléfono una vez.

Ik ben mijn telefoon al eens kwijtgeraakt.

...