1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (16)

El plan

El plan Show

Het plan Show

El futuro

El futuro Show

De toekomst Show

El comienzo

El comienzo Show

Het begin Show

El final

El final Show

Het einde Show

Lo desconocido

Lo desconocido Show

Het onbekende Show

Posible

Posible Show

Mogelijk Show

Imposible

Imposible Show

Onmogelijk Show

Pensar

Pensar Show

Denken Show

Planificar

Planificar Show

Plannen Show

Realizar

Realizar Show

Uitvoeren / realiseren Show

Hacerse

Hacerse Show

Worden Show

So�f1ar con

Sof1ar con Show

Dromen van Show

Querer ser

Querer ser Show

Willen zijn Show

Viajar por el mundo

Viajar por el mundo Show

De wereld rondreizen Show

Vivir en otro pa�efs

Vivir en otro paefs Show

In een ander land wonen Show

Tener una aventura

Tener una aventura Show

Een avontuur beleven Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Un año sabático en España

Woorden om te gebruiken: final, sueña, viajar, comienzo, imposible, desearía, gustaría, plan, futuro

(Een sabbatical in Spanje)

Marcos es ingeniero y vive en Berlín, pero desde hace años con vivir en otro país. Últimamente está muy cansado del trabajo y piensa mucho en su . Un día escribe en su cuaderno una lista de deseos, una especie de “bucket list” para un año sabático en España.

En su lista escribe: “Me tomarme un año libre y viajar por el mundo, pero primero quiero pasar seis meses en España. Querría vivir en Valencia, cerca del mar. También hacer un curso de español y conocer a gente nueva”.

Marcos planifica sus ideas: “Al del año sabático quiero descansar y pasar tiempo en la playa. Después quiero trabajar en un proyecto personal de fotografía. Al del año, me gustaría tener claro mi plan profesional”. Sabe que no es , pero necesita un buen y ahorrar dinero. Piensa que este año puede ser una gran aventura y una oportunidad para y cambiar de vida.
Marcos is ingenieur en woont in Berlijn, maar al jaren droomt hij ervan om in een ander land te wonen. De laatste tijd is hij erg moe van zijn werk en denkt veel aan zijn toekomst . Op een dag schrijft hij in zijn notitieboek een wensenlijst, een soort “bucket list” voor een sabbatical in Spanje.

Op zijn lijst schrijft hij: “Ik zou graag een jaar vrij nemen en de wereld rondreizen, maar eerst wil ik zes maanden in Spanje doorbrengen. Ik zou graag in Valencia wonen, dicht bij de zee. Ook zou ik graag een cursus Spaans volgen en nieuwe mensen leren kennen”.

Marcos plant zijn ideeën: “Aan het begin van het sabbaticaljaar wil ik uitrusten en tijd op het strand doorbrengen. Daarna wil ik aan een persoonlijk fotografieproject werken. Aan het eind van het jaar zou ik graag duidelijkheid hebben over mijn professionele plan”. Hij weet dat het niet onmogelijk is, maar hij heeft een goed plan nodig en moet geld sparen. Hij denkt dat dit jaar een groot avontuur kan zijn en een kans om te reizen en zijn leven te veranderen.

  1. ¿Por qué decide Marcos hacer una lista de deseos?

    (Waarom besluit Marcos een wensenlijst te maken?)

  2. ¿Qué planes tiene Marcos para los primeros meses de su año sabático en España?

    (Welke plannen heeft Marcos voor de eerste maanden van zijn sabbatical in Spanje?)

  3. ¿Qué necesita Marcos para hacer realidad su año sabático y por qué?

    (Wat heeft Marcos nodig om zijn sabbatical waar te maken en waarom?)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Me gustaría ______ por el mundo el próximo año.

(Ik zou graag ______ de wereld rondreizen volgend jaar.)

2. Querría ______ todos mis planes antes del final del año.

(Ik zou willen ______ al mijn plannen vóór het einde van het jaar.)

3. Deberías ______ en lo posible y no en lo imposible.

(Je zou moeten ______ aan het mogelijke en niet aan het onmogelijke.)

4. Yo recomendaría ______ escritor y contar tus historias.

(Ik zou aanraden ______ schrijver te worden en je verhalen te vertellen.)

Oefening 3: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 4: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Un compañero te pregunta sobre tus planes para el futuro. Responde usando 'planificar' y frases sencillas para expresar lo que quieres hacer pronto. (Usa: planificar, futuro, querer)

(Een collega vraagt je naar je plannen voor de toekomst. Geef een antwoord met 'planificar' en eenvoudige zinnen om uit te drukken wat je binnenkort wilt doen. (Gebruik: planificar, futuro, querer))

Yo planeo  

(Ik plan ...)

Voorbeeld:

Yo planeo viajar por el mundo el próximo año porque quiero conocer nuevas culturas y vivir aventuras.

(Ik plan volgend jaar de wereld rond te reizen omdat ik nieuwe culturen wil ontdekken en avonturen wil beleven.)

2. Alguien te pregunta si alguna vez has soñado con algo especial en la vida. Responde usando 'soñar con' para hablar de tus deseos personales. (Usa: soñar con, posible, aventura)

(Iemand vraagt je of je ooit van iets speciaals in het leven hebt gedroomd. Antwoord met 'soñar con' om te praten over je persoonlijke wensen. (Gebruik: soñar con, posible, aventura))

Yo sueño con  

(Ik droom van ...)

Voorbeeld:

Yo sueño con vivir en otro país para tener una aventura diferente y aprender un nuevo idioma.

(Ik droom ervan om in een ander land te wonen om een nieuw avontuur te beleven en een nieuwe taal te leren.)

3. Hablas con un amigo y te pregunta qué es imposible para ti hacer ahora y qué cosas crees que son posibles. Usa 'imposible' y 'posible' en tu respuesta para mostrar el contraste. (Usa: imposible, posible, futuro)

(Je spreekt met een vriend en hij vraagt wat nu onmogelijk voor je is om te doen en welke dingen je mogelijk vindt. Gebruik 'imposible' en 'posible' in je antwoord om het contrast te laten zien. (Gebruik: imposible, posible, futuro))

Es imposible   pero es posible  

(Het is onmogelijk ... maar het is mogelijk ...)

Voorbeeld:

Es imposible mudarme ahora mismo, pero es posible que en el futuro cambie de trabajo y viva en otra ciudad.

(Het is onmogelijk om nu te verhuizen, maar het is mogelijk dat ik in de toekomst van baan verander en in een andere stad ga wonen.)

4. Un colega te pregunta cómo te haces con nuevas experiencias o retos profesionales. Usa 'hacerse' para describir ese proceso de cambio o crecimiento. (Usa: hacerse, plan, futuro)

(Een collega vraagt je hoe je nieuwe ervaringen of professionele uitdagingen aangaat. Gebruik 'hacerse' om het proces van verandering of groei te beschrijven. (Gebruik: hacerse, plan, futuro))

Me hago  

(Ik word ...)

Voorbeeld:

Me hago más seguro en mi trabajo cuando planifico bien mis tareas y pienso en mis metas para el futuro.

(Ik word zekerder in mijn werk wanneer ik mijn taken goed plan en nadenk over mijn doelen voor de toekomst.)

5. Conversas con alguien que quiere saber qué planes tienes para realizar una aventura. Usa 'tener una aventura' y 'realizar' para hablar de tus intenciones. (Usa: tener una aventura, realizar, planificar)

(Je praat met iemand die wil weten welke plannen je hebt om een avontuur te beleven. Gebruik 'tener una aventura' en 'realizar' om je intenties uit te drukken. (Gebruik: tener una aventura, realizar, planificar))

Quiero tener una aventura  

(Ik wil een avontuur beleven ...)

Voorbeeld:

Quiero tener una aventura y realizar un viaje largo por el mundo para conocer diferentes países y culturas.

(Ik wil een avontuur beleven en een lange reis rond de wereld maken om verschillende landen en culturen te leren kennen.)

Oefening 5: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf tussen de 6 en 8 regels over je eigen wensenlijst: wat zou je graag doen tijdens een sabbatical of in je ideale vrije tijd en in welk land zou je willen wonen of reizen?

Nuttige uitdrukkingen:

Me gustaría… / En el futuro querría… / Mi plan es… / Sueño con…

Ejercicio 6: Gespreksoefening

Instrucción:

  1. ¿Qué querías ser de mayor? (Wat wilde je worden toen je een kind was?)
  2. ¿Qué planes tienes para el futuro? ¿Te gustaría cambiar de trabajo pronto? (Welke plannen heb je voor de toekomst? Wil je binnenkort van baan veranderen?)
  3. ¿Cómo los lograrás? (Hoe ga je ze bereiken?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Cuando era pequeño quería ser bombero.

Toen ik klein was, wilde ik brandweerman worden.

Cuando era niño, soñaba con ser médico.

Als kind droomde ik ervan om dokter te worden.

Quiero tener más responsabilidades en mi trabajo en el futuro.

Ik wil in de toekomst meer verantwoordelijkheid in mijn werk hebben.

Quiero ser el jefe de mi empresa en unos años.

Ik wil over een paar jaar de baas van mijn bedrijf zijn.

Me gustaría cambiar de profesión pronto porque no estoy contento con mi trabajo actual.

Ik wil binnenkort van beroep veranderen omdat ik niet tevreden ben met mijn huidige baan.

Volveré a la universidad para convertirme en profesor.

Ik ga weer naar de universiteit om leraar te worden.

...