A1.21.2 - Modale werkwoorden: mogę, muszę, chcę, umiem...
Czasowniki modalne: mogę, muszę, chcę, umiem...
Czasowniki modalne wyrażają to, co podmiot chce, może, musi lub powinien zrobić.
(Modale werkwoorden geven aan wat het onderwerp wil, kan, moet of zou moeten doen.)
| Czasownik modalny (Modale werkwoorden) | Przykład (Voorbeeld) |
|---|---|
| Umieć (Kunnen) | Umiem pływać. (Ik kan zwemmen.) |
| Móc (Mogen / Kunnen) | Mogę w czymś pomóc? (Kan ik ergens mee helpen?) |
| Potrafić (In staat zijn / Kunnen) | Potrafię dobrze pływać. (Ik kan goed zwemmen.) |
| Mieć powinność (Moeten / Verplichting hebben) | Powinienem zgłosić to na policję. (Ik zou moeten dit bij de politie melden.) |
| Musieć (Moeten) | Muszę iść do pracy. (Ik moet naar mijn werk gaan.) |
| Chcieć (Willen) | Chcę dzisiaj zostać w domu. (Ik wil vandaag thuisblijven.) |
| Woleć (Liever hebben / Prefereren) | Wolę rozmawiać przez telefon niż pisać. (Ik praat liever telefonisch dan te schrijven.) |
Uitzonderingen!
- „Umieć” betekent een algemene vaardigheid, terwijl „potrafić” het vermogen is om een specifieke handeling uit te voeren.
Oefening 1: Modale werkwoorden: mogę, muszę, chcę, umiem...
Instructie: Vul het juiste woord in.
Powinienem, Umiem, Muszę, Potrafię, Mogę, Wolę, Chcę
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. _____ kupić czarną koszulę do pracy.
_____ een zwart overhemd voor het werk kopen.)2. Nie _____ znaleźć swojego rozmiaru spodni.
Ik _____ mijn broekmaat niet vinden.)3. W tym sklepie nie _____ przyjmować płatności gotówką, tylko kartą.
In deze winkel _____ we geen contante betalingen accepteren, alleen per kaart.)4. Nie _____ dobrać krawata do tego garnituru.
Ik _____ geen stropdas bij dit pak uitkiezen.)Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen met de gegeven modale werkwoorden in de juiste vorm (ik kan, ik mag, ik kan, ik moet, ik wil, ik geef de voorkeur aan, ik zou moeten).
-
⇒ _______________________________________________ ExampleUmiem dobrze jeździć na rowerze.(Ik kan goed fietsen.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleCzy mogę w czymś pomóc?(Mag ik ergens mee helpen?)
-
⇒ _______________________________________________ ExamplePotrafię bardzo dobrze gotować zupę.(Ik kan heel goed soep maken.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleMuszę teraz iść do pracy.(Ik moet nu naar mijn werk gaan.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleChcę dzisiaj zostać w domu.(Ik wil vandaag thuisblijven.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleWolę iść do kawiarni niż do restauracji.(Ik ga liever naar een café dan naar een restaurant.)
Pas deze grammatica toe tijdens echte gesprekken!
Deze grammatica-oefeningen maken deel uit van onze conversatiecursussen. Vind een leraar en oefen dit onderwerp tijdens echte gesprekken!
- Implementeert ERK-, DELE-examen en Cervantes-richtlijnen
- Ondersteund door de universiteit van Siegen
Geschreven door
Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage
Joanna Majchrowska
Master Spaanse filologie
University of Lodz
Polen
Laatst bijgewerkt:
vrijdag, 09/01/2026 17:30