Spaanse werkwoordenlijst

Spaanse werkwoordenlijst geoptimaliseerd door CEFR-niveau met vervoegingstabellen, voorbeeldzinnen, audio en oefeningen geoptimaliseerd voor conversatielessen.

  • Werkwoord vervoegingen oefeningen
  • Gestructureerd naar CEFR-niveau
  • Oefeningen en werkbladen

Schrijf je nu in!

Niveau Werkwoord Gerundium Deelwoord Werkwoordeinde Stamverandering Regelmatig Syllabus Acties
B1
Matricularse (inschrijven)
matriculándose (zich inschrijvend) matriculado (ingeschreven) /
A2
Abrocharse (Zich vastmaken)
Abrochando (aan het vastmaken) Abrochado (vastgemaakt) -ar At the airport and in the plane (At the airport and in the plane)
B1
Acabar (eindigen)
acabando (afsluitend) acabado (beëindigd) -ar /
B2
Acelerar (accelereren)
acelerando (versnellend) acelerado (versneld) -ar /
A2
Aceptar (accepteren)
Aceptando (accepterend) Aceptado (Geaccepteerd) -ar Oficina y reuniones (Kantoor en vergaderingen)
B1
Aconsejar (adviseren)
aconsejando (aan te raden) aconsejado (aanbevolen) -ar /
A2
Acordarse (Herinneren)
Acordándose (herinnerend) Acordado (herinnerd) -ar Mi tiempo en la escuela (Mijn tijd op school)
A1
Acostarse (zich neerleggen)
Acostándose (gaan slapen) Acostado (Liggen) -ar o => ue Rutinas diarias (Dagelijkse routines)
B1
Actualizar (actualiseren)
actualizando (bijwerken) actualizado (geüpdatet) -ar /
B2
Actuar (acteren)
actuando (acterend) actuado (geacteerd) -ar /
B1
Adelgazar (afvallen)
adelgazando (afvallend) adelgazado (afgevallen) -ar /
A2
Adivinar (raden)
Adivinando (aan het raden) Adivinado (Gegist) -ar Mi propio negocio (Mijn eigen bedrijf)
B1
Adjuntar (bijvoegen)
adjuntando (bijgaand) adjuntado (bijgevoegd) -ar /
A2
Admirar (bewonderen)
Admirando (aan het bewonderen) Admirado (bewonderd) -ar Viaje familiar al zoológico (Familie-uitje naar de dierentuin)
B1
Adoptar (adopteren)
adoptando (adopterend) adoptado (geadopteerd) -ar /
A1
Afeitarse (zich scheren)
Afeitándose (zich aan het scheren) Afeitado (geschoren) -ar Apariencia física (Fysiek en uiterlijk)
A2
Alejarse (zich verwijderen)
Alejando (zich aan het verwijderen) Alejado (Afgelegen) -ar Viaje familiar al zoológico (Familie-uitje naar de dierentuin)
A2
Alimentar (voeden)
Alimentando (aan het voeren) Alimentado (gevoed) -ar Visita el campo (Bezoek het platteland)
B2
Almacenar (Opslaan)
almacenando (opslag) almacenado (opgeslagen) -ar /
A1
Alquilar (huren)
Alquilando (Huren) Alquilado (Gehuurd) -ar Vivienda y alojamiento (Huisvesting en accommodatie)
B1
Amamantar (borstvoeding geven)
amamantando (aan het borstvoeden) amamamantado (gesist) -ar /
B2
Amueblar (Inrichten)
amueblando (meubelen) amueblado (gemeubileerd) -ar /
B2
Analizar (analyseren)
analizando (aan het analyseren) analizado (geanalyseerd) -ar /
A2
Andar (lopen)
Andando (lopende) Andado (gelopen) -ar Transporte (Transport)
B2
Anestesiar (anesthesiëren)
anestesiando (anesthesiërend) anestesiado (geïnjecteerd) -ar /
A1
Apagar (uitzetten)
Apagando (Uitzetten) Apagado (Uitgeschakeld) -ar Electrodomésticos (Huishoudelijke apparaten)
B1
Aparcar (parkeren)
aparcando (parkerend) aparcado (geparkeerd) -ar /
B1
Aplazar (uitstellen)
aplazando (uitstellen) aplazado (uitgesteld) -ar /
A2
Aplicar (Solliciteren)
Aplicando (toepassend) Aplicado (Toegepast) -ar Buscando trabajo (Op zoek naar een baan)
A2
Apoyarse (Steunen op)
Apoyándose (ondersteunend) Apoyado (gesteund) -ar Trabajo en equipo (Teamwerk)
B2
Apreciar (waarderen)
apreciando (waarderend) apreciado (geapprecieerd) -ar /
A2
Aprobar (Goedkeuren)
Aprobando (aan het goedkeuren) Aprobado (Goedgekeurd) -ar o => ue Título universitario (Universitaire opleiding)
A2
Apuntarse (aanmelden)
apuntándose (aanschrijven) apuntado (ingeschreven) -ar Clases de pasatiempos (Hobbylessen)
B2
Arrancar (Starten)
arrancando (de motor starten) arrancado (gestart) -ar /
B2
Arreglar (arreglar)
arreglando (repareren) arreglado (gerepareerd) -ar /
A2
Arriesgarse (Risico nemen)
Arriesgándose (Riskerend) Arriesgado (Gewaagd) -ar Estar jubilado (Met pensioen gaan)
A2
Aterrizar (landen)
aterrizando (landen) aterrizado (geland) -ar At the airport and in the plane (At the airport and in the plane)
B2
Averiarse (pech geven)
averiándose (stukken) averiado (defect) -ar /
B2
Avisar (waarschuwen)
avisando (waarschuwend) avisado (gewaarschuwd) -ar /
A1
Ayudar (Helpen)
Ayudando (aan het helpen) Ayudado (geholpen) -ar Enfermedad y dolor (Ziekte en pijn)
A1
Bailar (dansen)
Bailando (Aan het dansen) Bailado (gedanst) -ar Viernes por la noche (Vrijdagavond uit)
B1
Bajar (baisser / naar beneden gaan)
bajando (afdalend) bajado (afgedaald) -ar /
A1
Bañarse (Zich wassen)
Bañándose (aan het baden) Bañado (gebaden) -ar Rutinas diarias (Dagelijkse routines)
B2
Bloquearse (vastlopen)
bloqueándose (kapot gaan (continuatief: kapotgaand)) bloqueado (geblokkeerd) -ar /
B2
Brindar (aanbieden)
brindando (proostend) brindado (geboden) -ar /
B2
Brotar (ontkiemen)
brotando (ontkiemend) brotado (ontkiemd) -ar /
B2
Bucear (duiken)
buceando (duikend) buceado (gedoken) -ar /
A2
Buscar (Zoeken)
Buscando (aan het zoeken) Buscado (Gezocht) -ar Reserva tu alojamiento (Boek uw accommodatie)
B2
Calcular (berekenen)
calculando (berekenen) calculado (berekend) -ar /
A1
Calentar (Verwarmen)
Calentando (aan het verwarmen) Calentado (Verwarmd) -ar e => ie Electrodomésticos (Huishoudelijke apparaten)
A1
Cambiar (veranderen)
Cambiando (Veranderend) Cambiado (Veranderd) -ar Estaciones, meses y partes del año. (Seizoenen, maanden en delen van het jaar)
A2
Caminar (Lopen)
Caminando (Lopend) Caminado (Wandelen) -ar Going for a Sunday walk (Going for a Sunday walk)
A1
Cantar (zingen)
Cantando (Zingend) Cantado (gezongen) -ar Viernes por la noche (Vrijdagavond uit)
A2
Casarse (trouwen)
Casándose (zich aan het trouwen) Casado (Getrouwd) -ar Planes familiares (Gezinsplannen)
A1
Celebrar (vieren)
Celebrando (Aan het vieren) Celebrado (Gevierd) -ar Decir tu edad (Je leeftijd zeggen)
A1
Cenar (avondeten)
Cenando (aan het dineren) Cenado (gedineerd) -ar Rutinas diarias (Dagelijkse routines)
A1
Cepillar (borstelen)
Cepillando (aan het borstelen) Cepillado (geborsteld) -ar Tus mascotas (Jouw huisdieren)
A2
Cepillarse (Zich poetsen)
cepillándose (aan het poetsen) cepillado (gepoetst) -ar Higiene personal (Persoonlijke hygiëne)
A1
Cerrar (sluiten)
Cerrando (Sluitend) Cerrado (Gesloten) -ar Muebles (Meubilair)
B2
Chocar (botsen)
chocando (botsend) chocado (aangereden) -ar /
B2
Cobrar (incasseren)
cobrando (cheque innen) cobrado (geïnd) -ar /
A1
Cocinar (koken)
Cocinando (aan het koken) Cocinado (gekookt) -ar Cocinar y hornear (Koken en bakken)
B1
Colaborar (colaboreren)
colaborando (samenwerkend) colaborado (colaborado) -ar /
B1
Colgar (ophangen)
colgando (aan het ophangen) colgado (gehangen) -ar o => ue /
B2
Combinar (combineren)
combinando (combineren) combinado (gecombineerd) -ar /
B2
Comercializar (Commerciëren)
comercializando (commerciërend) comercializado (gecommercialiseerd) -ar /
A2
Completar (voltooien)
Completando (completerend) Completado (Gecompleteerd) -ar Organización y delegación (Organisatie en delegatie)
A1
Comprar (Kopen)
Comprando (aan het kopen) Comprado (gekocht) -ar Precios y dinero (Prijzen en geld)
A2
Comprobar (controleren)
Comprobando (Aan het controleren) Comprobado (Geverifieerd) -ar ¿Un desastre de vacaciones? (Vakantieramp?)
A2
Comunicarse (zich communiceren)
Comunicándose (Communicerend) Comunicado (gecommuniceerd) -ar Trabajo en equipo (Teamwerk)
B2
Condenar (veroordelen)
condenando (veroordelend) condenado (veroordeeld) -ar /
A2
Conectarse (zich verbinden)
Conectándose (aan het verbinden) Conectado (Verbonden) -ar ¿Teletrabajo u oficina? (Thuiswerken of op kantoor?)
A2
Confirmar (Bevestigen)
Confirmando (Bevestigend) Confirmado (Bevestigd) -ar Reserva tu alojamiento (Boek uw accommodatie)
B1
Congelarse (bevriezen)
congelándose (bevriezend) congelado (bevroren) -ar /
B2
Conmemorar (herdenken)
conmemorando (conmemorerend) conmemorado (geleden) -ar /
B2
Conservarse (Zich bewaren)
conservándose (zich conserverend) conservado (conservar) -ar /
A1
Contactar (Contact opnemen)
Contactando (contacterend) Contactado (gecontacteerd) -ar Dirección y datos de contacto (Adres en contactgegevens)
B2
Contagiarse (Besmet raken)
contagiándose (zich te besmetten) contagiado (geïnfecteerd) -ar /
B1
Contaminar (verontreinigen)
contaminando (vervuilend) contaminado (vervuild) -ar /
A1
Contar (tellen)
Contando (tellend) Contado (Geteld) -ar Números y contar (Cijfers en tellen)
A2
Contestar (antwoorden)
Contestando (beantwoorden) Contestado (Beantwoord) -ar Buscando trabajo (Op zoek naar een baan)
B1
Contrastar (Contrasteren)
Contrastando (contrasterend) Contrastado (gecontrasteerd) -ar /
A2
Contratar (contracteren)
Contratando (aan het aannemen) Contratado (Aangenomen) -ar Entrevista de trabajo (Sollicitatiegesprek)
B2
Controlar (controleren)
controlando (controlerend) controlado (gecontroleerd) -ar /
B1
Convocar (samenroepen)
convocando (convoquerend) convocado (opgeroepen) -ar /
A2
Cooperar (samenwerken)
Cooperando (samenwerkend) Cooperado (gecoöpereerd) -ar Trabajo en equipo (Teamwerk)
A2
Coordinar (coördineren)
coordinando (coördineren) coordinado (gecoördineerd) -ar Organización y delegación (Organisatie en delegatie)
A1
Cortar (snijden)
Cortando (Snijden) Cortado (Gesneden) -ar Vajilla (Servies)
B1
Cortarse (zich snijden (per ongeluk))
cortándose (zich snijdend) cortado (gesneden) -ar /
A1
Costar (Kosten)
Costando (kosten) Costado (gekost) -ar o => ue Precios y dinero (Prijzen en geld)
B2
Cotizar (genoteerd worden)
cotizando (genoteerd) cotizado (genoteerd) -ar /
A2
Crear (Maken)
Creando (creërend) Creado (gemaakt) -ar Planes familiares (Gezinsplannen)
A2
Criar (Grootbrengen)
criando (grootbrengen) criado (grootgebracht) -ar Visita el campo (Bezoek het platteland)
B2
Cruzar (kruisen)
cruzando (overstekend) cruzado (gekruist) -ar /
A1
Cuidar (zorgen voor)
Cuidando (zorgen voor) Cuidado (gepast) -ar /
A1
Cuidarse (Voorzichzelf zorgen)
Cuidándose (Zorgend voor zichzelf) Cuidado (Voorzichtig) -ar Estado físico y sensaciones. (Fysieke toestanden en sensaties)
A1
Cultivar (Kweken)
Cultivando (aan het kweken) Cultivado (Gekweekt) -ar Plantas de interior y de jardín (Kamerplanten en tuinplanten)
A1
Dar (geven)
Dando (gevend) Dado (gegeven) -ar Pedir y dar direcciones. (Routebeschrijving vragen en geven)
B1
Darse (zich insmeren)
dándose (zich insmeerend) dado (aangetrokken) -ar /
B2
Declarar (Declareren)
declarando (declarando) declarado (gedeclareerd) -ar /
A1
Dedicarse a (Zich bezighouden met)
Dedicándose (Zich toeleggend) Dedicado (Toegewijd) -ar Profesiones y estudios (Beroepen en studies)
B1
Denegar (weigeren)
denegando (onterechten) denegado (geweigerd) -ar /
A2
Denunciar (aangifte doen)
denunciando (aangifte doen) denunciado (aangifte gedaan) -ar ¿Un desastre de vacaciones? (Vakantieramp?)
B1
Depilarse (zwartmaken)
depilándose (zich ontharend) depilado (geposeerd) -ar /
B1
Derivar (doorverwijzen)
derivando (doorverwijzend) derivado (doorverwezen) -ar /
B1
Desactivar (deactiveren)
desactivando (deactiveren) desactivado (gedeactiveerd) -ar /
A2
Desarrollar (ontwikkelen)
desarrollando (ontwikkelend) desarrollado (ontwikkeld) -ar Título universitario (Universitaire opleiding)
A1
Desayunar (Ontbijten)
Desayunando (ontbijtend) Desayunado (ontbeten) -ar Rutinas diarias (Dagelijkse routines)
A2
Descansar (uitrusten)
Descansando (uitrustend) Descansado (uitgerust) -ar En el hotel (Op hotel)
A2
Descargar (downloaden)
descargando (downloaden) descargado (gedownload) -ar De la oficina de correos al correo electrónico (Van postkantoor naar e-mail)
B1
Descolgar (desliggen)
descolgando (opnemen) descolgado (opgenomen) -ar o => ue /
A2
Desconectarse (zich afmelden)
Desconectándose (aan het uitloggen) Desconectado (Afgekoppeld) -ar ¿Teletrabajo u oficina? (Thuiswerken of op kantoor?)
A2
Desear (Wensen)
Deseando (Verlangend) Deseado (Gewenst) -ar Planes familiares (Gezinsplannen)
A1
Despertarse (Zich wakker maken)
Despertándose (wakker wordend) Despierto (wakker) -ar Rutinas diarias (Dagelijkse routines)
B2
Detestar (haten)
detestando (verachtend) detestado (gehaat) -ar /
B2
Diagnosticar (diagnosticeren)
diagnosticando (diagnosticeren) diagnosticado (gediagnosticeerd) -ar /
A1
Dibujar (tekenen)
Dibujando (tekenen) Dibujado (Getekend) -ar Describir pasatiempos (Hobby's beschrijven)
B1
Discriminar (Discrimineren)
Discriminando (discriminerend) Discriminado (Gediscrimineerd) -ar /
B1
Diseñar (ontwerpen)
diseñando (ontwerpen) diseñado (ontworpen) -ar /
B1
Disfrutar (genieten)
disfrutando (genietend) disfrutado (genoten) -ar /
A2
Divorciarse (Scheiden)
Divorciándose (aan het scheiden) Divorciado (gescheiden) -ar Planes familiares (Gezinsplannen)
A1
Ducharse (zich douchen)
Duchándose (douchend) Duchado (gedoucht) -ar Rutinas diarias (Dagelijkse routines)
B1
Echarse (zich doen)
echándose (aan het druppelen (bij zichzelf)) echado (gedruppeld) -ar /
B2
Educarse (Zich opvoeden)
educándose (zich opvoeden) educado (opgevoed) -ar /
B2
Emigrar (Emigreren)
emigrando (emigrerend) emigrado (geëmigreerd) -ar /
A1
Empezar (beginnen)
Empezando (beginnend) Empezado (Begonnen) -ar e => ie Fechas del calendario y días festivos. (Kalenderdata en feestdagen)
A2
Encantar (Gek zijn op)
Encantando (betoverend) Encantado (verrukt) -ar Servicios y comercios locales (Lokale diensten en winkels)
B2
Encargar (bevelen)
encargando (bezig te bestellen) encargado (ingesteld) -ar /
B1
Enchufar (inpluggen)
enchufando (stekkerend) enchufado (ingeschakeld) -ar /
A1
Encontrar (Vinden)
Encontrando (aan het vinden) Encontrado (Gevonden) -ar o => ue Pedir y dar direcciones. (Routebeschrijving vragen en geven)
A1
Enfadarse (boos worden)
Enfadándose (zich ergeren) Enfadado (boos geworden) -ar /
A2
Enseñar (Lesgeven)
enseñando (aan het lesgeven) enseñado (geleerd) -ar Mi tiempo en la escuela (Mijn tijd op school)
A2
Enterarse (zich informeren)
Enterandose (te weten komend) Enterado (Begrepen) -ar /
A2
Entregar (Inleveren)
entregando (aan het overhandigen) entregado (ingeleverd) -ar Papeleo y burocracia (Papierwerk en bureaucratie)
A2
Entrenar (trainen)
Entrenando (Trainend) Entrenado (Getraind) -ar Ejercicio y estilo de vida (Oefening en levensstijl)
A2
Enviar (verzenden)
Enviando (Versturende) Enviado (Verzonden) -ar Buscando trabajo (Op zoek naar een baan)
B1
Equilibrar (balanceren)
equilibrando (in evenwicht brengen) equilibrado (gebalanceerd) -ar /
A1
Escuchar (luisteren)
Escuchando (aan het luisteren) Escuchado (Geluisd) -ar Describir pasatiempos (Hobby's beschrijven)
A2
Esforzarse (Zich inspannen)
esforzándose (zich inspannend) esforzado (ingespannen) -ar o => ue Ejercicio y estilo de vida (Oefening en levensstijl)
A2
Esperar (Wachten)
Esperando (Aan het wachten) Esperado (verwacht) -ar Planes familiares (Gezinsplannen)
A1
Estar (zijn)
Estando (zijnde) Estado (geweest) -ar Saludos y despedidas (Groeten en afscheid)
A2
Estirar (uitrekken)
Estirando (aan het strekken) Estirado (Gestrekt) -ar Ejercicio y estilo de vida (Oefening en levensstijl)
B2
Estrenar (Inwijden)
estrenando (in gebruiknemend) estrenado (ingewijd) -ar /
A1
Estudiar (studeren)
Estudiando (Aan het studeren) Estudiado (Gestudeerd) -ar Profesiones y estudios (Beroepen en studies)
B1
Evitar (vermijden)
evitando (vermijdend) evitado (vermeden) -ar /
B2
Evocar (oproepen)
evocando (evocando) evocado (opgeroepen) -ar /
B2
Fabricar (fabricar)
fabricando (producerend) fabricado (geproduceerd) -ar /
A2
Facturar (Inchecken)
Facturando (facturerend) Facturado (Gefactureerd) -ar At the airport and in the plane (At the airport and in the plane)
B2
Fallar (falen)
fallando (faalt) fallado (gefaald) -ar /
B1
Felicitar (feliciteren)
felicitando (feliciteren) felicitado (gefeliciteerd) -ar /
B2
Financiar (Financieren)
financiando (financierend) financiado (gefinancierd) -ar /
A2
Firmar (ondertekenen)
Firmando (Ondertekenend) Firmado (Ondertekend) -ar Vivienda y alojamiento (Huisvesting en accommodatie)
B2
Fomentar (bevorderen)
fomentando (bevorderend) fomentado (bevorderd) -ar /
B1
Forzar (forceren)
forzando (forcerend) forzado (geforceerd) -ar /
A1
Fregar (afwassen)
Fregando (soppen) Fregado (Afwassen) -ar e => ie Vajilla (Servies)
A2
Ganar (winnen)
Ganando (aan het winnen) Ganado (gewonnen) -ar Trabajo en equipo (Teamwerk)
B1
Gastar (geven uit)
gastando (uitgevend) gastado (besteed) -ar /
B1
Gestionar (beheren)
gestionando (beheerend) gestionado (beheerd) -ar /
A2
Gobernar (regeren)
gobernando (regerend) gobernado (gegovernord) -ar e => ie El gobierno y las elecciones (De regering en verkiezingen)
A2
Graduarse (Afstuderen)
Graduándose (Afstuderend) Graduado (Afgestudeerd) -ar Título universitario (Universitaire opleiding)
A1
Gustar(se) (gustar)
Gustando (Smakend) Gustado (Geliefd) -ar Colores (Kleuren)
A2
Hidratar (Hydrateren)
hidratando (hydrateren) hidratado (gehydrateerd) -ar Comida y hábitos saludables (Gezonde voeding en gewoontes)
B1
Hornear (bakken)
horneando (aan het bakken) hornado (gebakken) -ar Alimentación diaria (Dagelijks eten)
B2
Importar (importeren)
importando (importeren) importado (geïmporteerd) -ar /
B1
Impulsar (impulseren)
impulsando (stimulerend) impulsado (gedreven) -ar /
B2
Incendiarse (In brand vliegen)
incendiándose (in brand raken) incendiado (verbrand) -ar /
B1
Incorporarse (zich aansluiten)
incorporándose (zich aansluiten) incorporado (incorporado) -ar /
B2
Indemnizar (indemniseren)
indemnizando (indemnizando) indemnizado (geïndemniseerd) -ar /
A2
Informar (informeren)
Informando (Informerend) Informado (geïnformeerd) -ar Organización y delegación (Organisatie en delegatie)
B2
Instalar (Installeren)
instalando (installend) instalado (geïnstalleerd) -ar /
B2
Integrarse (Zich integreren)
integrándose (zich integrerend) integrado (geïntegreerd) -ar /
B2
Inundarse (overstromen)
inundándose (overstromend) inundado (overstroomd) -ar /
B1
Inventar (inventaris)
inventando (aan het uitvinden) inventado (uitgevonden) -ar /
A2
Investigar (Onderzoeken)
investigando (aan het onderzoeken) investigado (onderzocht) -ar En la biblioteca (In de bibliotheek)
A2
Invitar (uitnodigen)
Invitando (uitnodigend) Invitado (Uitgenodigd) -ar Oficina y reuniones (Kantoor en vergaderingen)
B1
Jubilarse (met pensioen gaan)
jubilándose (pensionerend) jubilado (gepensioneerde) -ar /
A1
Jugar (Spelen)
Jugando (Spelend) Jugado (Gespeeld) -ar Deportes y ejercicio (Sport en beweging)
A1
Lavarse (zich wassen)
Lavándose (zich aan het wassen) Lavado (Gewassen) -ar Rutinas diarias (Dagelijkse routines)
A2
Levantar (optillen)
Levantando (aan het opstaan) Levantado (Opgestaan) -ar Ejercicio y estilo de vida (Oefening en levensstijl)
A1
Levantarse (opstaan)
Levantándose (Opstaand) Levantado (Opgestaan) -ar Rutinas diarias (Dagelijkse routines)
B1
Liderar (leiden)
liderando (leidend) liderado (geleid) -ar /
A1
Limpiar (schoonmaken)
Limpiando (Aan het schoonmaken) Limpiado (Schoongemaakt) -ar Nuestra casa (Ons huis)
A1
Llamarse (Zich noemen)
Llamándose (zich noemende) Llamado (Genoemd) -ar Decir tu nombre (Je naam zeggen)
A1
Llegar (Aankomen)
Llegando (Aankomend) Llegado (Aangekomen) -ar Decir la hora y leer el reloj. (Hoe laat is het? De klok lezen.)
A2
Llenar (Vullen)
Llenando (aan het vullen) Llenado (gevuld) -ar Empacar tu equipaje (Je bagage pakken)
A1
Llevar (dragen)
Llevando (brengend) Llevado (Gebracht) -ar En la tienda de ropa (In de kledingwinkel)
A2
Mandar (sturen)
Mandando (Aan het sturen) Mandado (gestuurd) -ar De la oficina de correos al correo electrónico (Van postkantoor naar e-mail)
A1
Maquillarse (zich opmaken)
Maquillándose (zich aan het opmaken) Maquillado (opgemaakt) -ar Colores (Kleuren)
A1
Marcar (markeren)
Marcando (Markeren) Marcado (Gemarkeerd) -ar Decir la hora y leer el reloj. (Hoe laat is het? De klok lezen.)
B1
Marcharse (zich verwijderen)
marchándose (weggaan) marchado (vertrokken) -ar /
B2
Masajear (masseren)
masajeando (massageerend) masajeado (gemasseerd) -ar /
A1
Meditar (Mediteren)
Meditando (Aan het mediteren) Meditado (Gemediteerd) -ar Estado físico y sensaciones. (Fysieke toestanden en sensaties)
B1
Mejorar (verbeteren)
Mejorando (Verbeterend) Mejorado (Verbeterd) -ar /
A2
Memorizar (memoreren)
Memorizando (memoriserend) Memorizado (gememoriseerd) -ar Entrevista de trabajo (Sollicitatiegesprek)
A2
Merendar (tussendoortje eten)
Merendando (aan het snacken) Merendado (gegeten) -ar Comida y hábitos saludables (Gezonde voeding en gewoontes)
A1
Mezclar (Mengen)
Mezclando (mixer) Mezclado (gemengd) -ar Cocinar y hornear (Koken en bakken)
A1
Mirar (Kijken)
Mirando (kijkend) Mirado (Gekeken) -ar Todo tipo de formas (Vormen en figuren)
A2
Montar (fietsen)
Montando (aan het berijden) Montado (gemonteerd) -ar Transporte (sostenible) ((Duurzaam) vervoer)
A2
Mostrar (tonen)
Mostrando (tonend) Mostrado (getoond) -ar En el camping (Op de camping)
B1
Motivar (motiveren)
motivando (motiverend) motivado (gemotiveerd) -ar /
A1
Nadar (Zwemmen)
Nadando (zwemmend) Nadado (Gezwommen) -ar Deportes y ejercicio (Sport en beweging)
A1
Necesitar (nodig hebben)
Necesitando (nodig hebbende) Necesitado (nodig gehad) -ar Hacer la compra (Boodschappen doen)
A2
Negociar (onderhandelen)
Negociando (onderhandelen) Negociado (onderhandeld) -ar /
A2
Notar (opmerken)
Notando (noterend) Notado (Opgemerkt) -ar Oficina y reuniones (Kantoor en vergaderingen)
A2
Observar (observeren)
Observando (observerend) Observado (Geobserveerd) -ar En el camping (Op de camping)
A1
Odiar (Haten)
Odiando (hatend) Odiado (gehaat) -ar Colores (Kleuren)
A2
Opinar (meningen)
Opinando (menend) Opinado (Geadviseerd) -ar Opiniones y negociaciones (Meningen en onderhandelingen)
A1
Organizar (organiseren)
Organizando (Organiseren) Organizado (Georganiseerd) -ar Días de la semana y partes del día. (Dagen van de week en dagdelen)
A1
Pagar (betalen)
Pagando (betalend) Pagado (betaald) -ar /
B1
Parar (stoppen)
parando (aan het stoppen) parado (gestopt) -ar /
A1
Pasar (passeren)
Pasando (Aan het gebeuren) Pasado (Gepasseerd) -ar Servicios cotidianos (Dagelijkse diensten)
A1
Pasear (Wandelen)
Paseando (Wandelen) Paseado (Wandelen) -ar Tus mascotas (Jouw huisdieren)
A1
Peinarse (zich kammen)
Peinándose (zich aan het kammen) Peinado (gekamt) -ar Rutinas diarias (Dagelijkse routines)
B2
Pelearse (ruzie maken)
peleándose (ruziënd) peleado (gevecht) -ar /
A2
Pesarse (zich wegen)
Pesándose (zich aan het wegen) Pesado (gewogen) -ar Comida y hábitos saludables (Gezonde voeding en gewoontes)
A1
Pintar (schilderen)
Pintando (aan het schilderen) Pintado (geschilderd) -ar Describir pasatiempos (Hobby's beschrijven)
B1
Pintarse (zich opmaken)
pintándose (zich lippenstift aanbrengend) pintado (geschminkt) -ar /
A1
Planchar (strijken)
Planchando (aan het strijken) Planchado (gestreken) -ar En la tienda de ropa (In de kledingwinkel)
A1
Planear (plannen)
Planeando (Plannen) Planeado (Gepland) -ar Fechas del calendario y días festivos. (Kalenderdata en feestdagen)
A2
Planificar (Plannen)
Planificando (aan het plannen) Planificado (Gepland) -ar Lista de deseos (Bucketlist)
A1
Plantar (Planten)
Plantando (plantend) Plantado (Geplant) -ar Plantas de interior y de jardín (Kamerplanten en tuinplanten)
B1
Postularse (zich kandidaat stellen)
postulándose (zich kandidaat stellend) postulado (geïnteresseerd) -ar /
A1
Practicar (Oefenen)
Practicando (Aan het oefenen) Practicado (Geoefend) -ar Profesiones y estudios (Beroepen en studies)
A1
Preguntar (vragen)
Preguntando (aan het vragen) Preguntado (gevraagd) -ar Preguntar cosas (Dingen vragen)
A1
Preparar (voorbereiden)
Preparando (Aan het voorbereiden) Preparado (Voorbereid) -ar Decir tu edad (Je leeftijd zeggen)
A2
Prepararse (zich klaarmaken)
preparándose (zich klaarmakend) preparado (klaarmaken) -ar Entrevista de trabajo (Sollicitatiegesprek)
B1
Presentar (indienen)
presentando (sollicitatie indienen) presentado (ingediend) -ar /
A1
Presentarse (zich voorstellen)
Presentándose (zich voorstellen) Presentado (Voorgesteld) -ar Decir tu nombre (Je naam zeggen)
A2
Prestar (Uitlenen)
prestando (uitlenen) prestado (uitgeleend) -ar En la biblioteca (In de bibliotheek)
A2
Probar (proberen)
Probando (aan het proberen) Probado (Getest) -ar o => ue Comida para llevar (Afhaalmaaltijden)
A2
Probarse (Passen)
probándose (aan het passen) probado (gepast) -ar o => ue Estilos de ropa y moda (Kledingstijlen en mode)
A1
Quedar (Afspreken)
Quedando (afspraken makend) Quedado (afgesproken) -ar Días de la semana y partes del día. (Dagen van de week en dagdelen)
B1
Quejarse (zich beklagen)
quejándose (klagend) quejado (geklacht) -ar /
B1
Quemarse (zich verbranden)
quemándose (zich verbranden) quemado (verbrand) -ar /
A2
Quitarse (uittrekken)
quitándose (uittrekkend) quitado (uitgetrokken) -ar Estilos de ropa y moda (Kledingstijlen en mode)
A2
Reaccionar (Reageren)
reaccionando (reagerend) reaccionado (gereageerd) -ar ¿Oíste las noticias? (Heb je het nieuws gehoord?)
A2
Realizar (Realiseren)
Realizando (Realiseren) Realizado (Gerealiseerd) -ar Lista de deseos (Bucketlist)
B2
Rebozar (paneermeel)
rebozando (paneerend) rebozado (gepaneerd) -ar /
B1
Recaudar (inzamelen)
Recaudando (inzamelend) Recaudado (Verzameld) -ar /
A2
Rechazar (afwijzen)
Rechazando (afwijzend) Rechazado (Afgewezen) -ar Opiniones y negociaciones (Meningen en onderhandelingen)
B2
Reclamar (reclamar)
reclamando (reclamando) reclamado (geëist) -ar /
A1
Recordar (herinneren)
Recordando (herinnerend) Recordado (Herkend) -ar o => ue Números ordinales (Rangtelwoorden)
B1
Recuperar (recuperar)
recuperando (herstelend) recuperado (hersteld) -ar /
B1
Redactar (redigeren)
redactando (redigeren) redactado (gedaan) -ar /
A2
Reformar (Renoveren)
reformando (aan het renoveren) reformado (gerenoveerd) -ar En la inmobiliaria (Bij de makelaar)
A2
Regalar (schenken)
Regalando (aan het weggeven) Regalado (geschonken) -ar Visitando amigos (Vrienden bezoeken)
A1
Regar (sproeien)
Regando (aan het water geven) Regado (Besproeid) -ar e => ie Plantas de interior y de jardín (Kamerplanten en tuinplanten)
A2
Registrarse (zich registreren)
Registrando (zich aan het registreren) Registrado (Geregistreerd) -ar En el hotel (Op hotel)
B2
Reivindicar (Eisen)
reivindicando (reivindiceren) reivindicado (geëist) -ar /
B2
Relacionarse (Zich verhouden)
relacionándose (zich verbinden) relacionado (gerelatieerd) -ar /
A1
Relajarse (zich ontspannen)
Relajándose (Zich aan het ontspannen) Relajado (ontspannen) -ar Estado físico y sensaciones. (Fysieke toestanden en sensaties)
B2
Relatar (relateren)
relatando (aan het vertellen) relatado (gerapporteerd) -ar /
B2
Rellenar (invullen)
rellenando (aan het invullen) rellenado (gevuld) -ar /
B2
Remar (roeien)
remando (roeiend) remado (geremd) -ar /
B1
Renovar (vernieuwen)
renovando (vernieuwende) renovado (vernieuwd) -ar /
A2
Rentar (Huren)
rentando (verhurend) rentado (gehuurd) -ar Alquila tu transporte (Transport huren)
B1
Renunciar (opgeven)
renunciando (afstand doen) renunciado (opgegeven) -ar /
A1
Reservar (reserveren)
Reservando (Reserveren) Reservado (Gereserveerd) -ar Vivienda y alojamiento (Huisvesting en accommodatie)
A2
Retirar (opnemen)
retirando (aan het opnemen) retirado (teruggetrokken) -ar En el banco (Bij de bank)
B2
Retirarse (Zich terugtrekken)
retirándose (zich terugtrekkend) retirado (teruggetrokken) -ar /
B2
Retrasar (vertragen)
retrasando (vertraging aan het veroorzaken) retrasado (vertraagd) -ar /
A2
Revisar (controleren)
revisando (controleren) revisado (gereviseerd) -ar Alquila tu transporte (Transport huren)
A2
Robar (stelen)
Robando (steelend) Robado (Gestolen) -ar ¿Un desastre de vacaciones? (Vakantieramp?)
B2
Rodar (rollen)
rodando (rollend) rodado (rodado) -ar o => ue /
A1
Sacar (nemen)
Sacando (aan het pakken) Sacado (uitgehaald) -ar Describir pasatiempos (Hobby's beschrijven)
B2
Saludar (groeten)
saludando (zich begroeten) saludado (gesaluteerd) -ar /
A1
Secar (drogen)
Secando (aan het drogen) Secado (aan het drogen) -ar Electrodomésticos (Huishoudelijke apparaten)
A1
Secarse (zich afdrogen)
Secándose (zich aan het afdrogen) Secado (gedroogd) -ar Apariencia física (Fysiek en uiterlijk)
B1
Seleccionar (selecteren)
seleccionando (selecterend) seleccionado (geselecteerd) -ar /
A1
Sembrar (zaaien)
Sembrando (zaaiend) Sembrado (gezaaid) -ar e => ie Plantas de interior y de jardín (Kamerplanten en tuinplanten)
A1
Sentarse (Zitten)
Sentándose (zich zittende) Sentado (Zittend) -ar e => ie Tus mascotas (Jouw huisdieren)
B1
Separarse (scheiden)
separándose (zich aan het scheiden) separado (gescheiden) -ar /
B1
Simular (simuleren)
Simulando (Simuleren) Simulado (Gesimuleerd) -ar /
B1
Sincronizar (synchroniseren)
sincronizando (synchroniseren) sincronizado (gesynchroniseerd) -ar /
B1
Solicitar (aanvragen)
solicitando (aanvragen) solicitado (aangevraagd) -ar /
A1
Sonar (klinken)
sonando (klinkende) sonado (geklinkt) -ar o => ue Música y arte (Muziek en kunst)
B1
Soportar (verdragen)
soportando (het verdragen) soportado (geïnduurd) -ar /
A1
Soñar (dromen)
soñando (dromend) soñado (gedroomd) -ar o => ue Rutinas diarias (Dagelijkse routines)
A2
Supervisar (toezien)
supervisando (toezien) supervisado (toezicht houden) -ar Organización y delegación (Organisatie en delegatie)
B2
Tapear (Tapear)
tapeando (tappen) tapeado (getapt) -ar /
B1
Tirar (weggooien)
tirando (weggooiend) tirado (weggegooid) -ar /
A1
Tocar (to spelen)
Tocando (spelend) Tocado (gespeeld) -ar /
A1
Tomar (nemen)
Tomando (zittend) Tomado (genomen) -ar /
A1
Trabajar (werken)
Trabajando (werkend) Trabajado (gewerkt) -ar /
B1
Tratar (tratar (behandelen / proberen))
tratando (bezig te behandelen) tratado (behandeld) -ar /
B2
Trocear (in stukjes snijden)
troceando (in stukjes snijdend) troceado (in stukjes gesneden) -ar /
A1
Usar (gebruiken)
Usando (gebruikend) Usado (gebruikt) -ar Servicios cotidianos (Dagelijkse diensten)
B1
Vacunarse (zich laten vaccineren)
vacunándose (zich laten vaccineren) vacunado (gevaccineerd) -ar /
A2
Viajar (Reizen)
Viajando (reizende) Viajado (gereisd) -ar Transporte (Transport)
A2
Visitar (bezoeken)
Visitando (bezoeken) Visitado (Bezocht) -ar /
A1
Volar (Vliegen)
Volando (vliegend) Volado (gevlogen) -ar o => ue Transporte (Transport)
A2
Votar (stemmen)
votando (aan het stemmen) votado (gestemd) -ar El gobierno y las elecciones (De regering en verkiezingen)
B2
Abstenerse (zich onthouden (van stemmen))
absteniéndose (zich onthoudend) abstenido (onthouden) -er e => ie /
A2
Aprender (leren)
Aprendiendo (Aan het leren) Aprendido (Geleerd) -er Clases de pasatiempos (Hobbylessen)
B1
Ascender (opstijgen)
ascendiendo (opstijgend) ascendido (opgeklommen) -er e => ie /
B1
Atender (attenderen)
atendiendo (aan het helpen) atendido (geholpen) -er /
B1
Barrer (vegen)
barriendo (vegend) barrido (geveegd) -er /
A1
Beber (drinken)
Bebiendo (aan het drinken) Bebido (gedronken) -er Alimentación diaria (Dagelijks eten)
A2
Caber (Passen)
Cabiendo (passend) Cabido (gepaste) -er Planes familiares (Gezinsplannen)
B1
Cocer (koken (in water of vloeistof))
cociendo (koken) cocido (gekookt) -er o => ue /
A1
Coger (pakken)
Cogiendo (Pakkend) Cogido (genomen) -er Transporte (Transport)
A1
Comer (eten)
Comiendo (aan het eten) Comido (gegeten) -er Alimentación diaria (Dagelijks eten)
B2
Comparecer (verschijnen)
compareciendo (verschijnend) comparecido (verschenen) -er /
B2
Componer (componeren)
componiendo (componerend) compuesto (samengesteld) -er /
A1
Comprender (Begrijpen)
Comprendiendo (Begrijpend) Comprendido (Begrijpen) -er Decir tu nombre (Je naam zeggen)
B2
Comprometerse (zich verbinden)
comprometiéndose (zich committerend) comprometido (toegezegd) -er /
B2
Conceder (toekennen)
concediendo (concedendo) concedido (toegekend) -er /
A1
Conocer (Ontmoeten)
Conociendo (Aan het ontmoeten) Conocido (Bekend) -er Carácter y personalidad (Karakter en persoonlijkheid)
A1
Correr (rennen)
Corriendo (aan het rennen) Corrido (gelopen) -er Deportes y ejercicio (Sport en beweging)
B2
Coser (naaien)
cosiendo (naaien) cosido (genaaid) -er /
B1
Crecer (groeien)
Creciendo (groeiend) Crecido (gegroeid) -er Estar jubilado (Met pensioen gaan)
A2
Deber (moeten)
Debiendo (Horende) Debido (Moeten) -er Comida y hábitos saludables (Gezonde voeding en gewoontes)
A2
Deshacer (uitpakken)
Deshaciendo (aan het uitpakken) Deshecho (Uitgepakt) -er Empacar tu equipaje (Je bagage pakken)
B2
Detener (arresteren)
deteniendo (arrestando) detenido (aangehouden) -er e => ie /
A1
Devolver (Terugbrengen)
devolviendo (terugbrengend) devuelto (teruggegeven) -er o => ue En la tienda de ropa (In de kledingwinkel)
A1
Doler(se) (pijn doen (zich))
Doliendo (Pijn hebben) Dolido (Pijn doen) -er o => ue Enfermedad y dolor (Ziekte en pijn)
B2
Ejercer (uitoefenen)
ejerciendo (uito) ejercido (uitgeoefend) -er /
A1
Encender (aanzetten)
Encendiendo (Aanzetten) Encendido (Aangezet) -er e => ie Electrodomésticos (Huishoudelijke apparaten)
B2
Encoger (krimpen)
encogiendo (inkrimpend) encogido (gekrompen) -er /
A1
Entender (begrijpen)
Entendiendo (Begrijpend) Entendido (Begrepen) -er e => ie Emociones y sentimientos (Emoties en gevoelens)
B1
Envolver (inpakken)
envolviendo (inpakken) envuelto (verpakt) -er o => ue /
B2
Establecerse (zich vestigen)
estableciéndose (zich vestigend) establecido (gevestigd) -er /
B1
Exponer (exposeren)
exponiendo (exposerend) expuesto (geëxposeerd) -er /
B2
Florecer (bloeien)
floreciendo (bloeiend) florecido (gebloeid) -er /
A1
Haber (Hebben)
Habiendo (Habiendo) Habido (geweest) -er Nuestra casa (Ons huis)
A1
Hacer (maken)
Haciendo (doende) Hecho (gedaan) -er /
A1
Hacer ejercicio (Oefeningen doen)
Haciendo ejercicio (oefenen) Hecho ejercicio (Genoefend) -er Deportes y ejercicio (Sport en beweging)
A2
Hacerse (Worden)
Haciéndose (Wordende) Hecho (Gedaan) -er Lista de deseos (Bucketlist)
A1
Leer (lezen)
Leyendo (Lezend) Leído (Gelezen) -er Describir pasatiempos (Hobby's beschrijven)
A1
Llover (regenen)
Lloviendo (Regenen) Llovido (Geregend) -er o => ue El clima y el tiempo (Het weer)
B1
Mantenerse (zich up-to-date houden)
manteniéndose (blijvend op de hoogte) mantenido (gehouden) -er e => ie /
A1
Nacer (geboren worden)
Naciendo (Aan het geboren worden) Nacido (Geboren) -er ¿De dónde eres? (Waar kom je vandaan?)
B2
Obedecer (Gehoorzamen)
obedeciendo (gehoorzamen) obedecido (gehoorzaamd) -er /
A1
Oler (Ruiken)
Oliendo (ruikend) Olido (geroken) -er o => ue Sentidos y percepción (Zintuigen en waarnemen)
A1
Parecer (verschijnen)
Pareciendo (lijkend) Parecido (geleken) -er Carácter y personalidad (Karakter en persoonlijkheid)
A1
Pensar (denken)
Pensando (Aan het denken) Pensado (gedacht) -er e => ie Lista de deseos (Bucketlist)
A2
Perderse (zich verliezen)
Perdiéndose (verdwijnend) Perdido (Verdwaald) -er e => ie ¿Un desastre de vacaciones? (Vakantieramp?)
A1
Poder (kunnen)
Pudiendo (Kunnen) Podido (gekund) -er o => ue En la tienda de ropa (In de kledingwinkel)
A1
Poner (Zetten)
Poniendo (aan het zetten) Puesto (gezet) -er Electrodomésticos (Huishoudelijke apparaten)
A2
Ponerse (aantrekken)
poniéndose (aantrekkend) puesto (gedragen) -er Estilos de ropa y moda (Kledingstijlen en mode)
A1
Querer (willen)
queriendo (willen) querido (gewild) -er /
A1
Responder (antwoorden)
Respondiendo (beantwoordend) Respondido (beantwoord) -er Preguntar cosas (Dingen vragen)
B1
Romper (breken)
rompiendo (de relatie aan het beëindigen) roto (gebroken) -er /
A1
Ser (zijn)
Siendo (zijnde) Sido (geweest) -er Saludos y despedidas (Groeten en afscheid)
B2
Sorprenderse (Zich verbazen)
sorprendiéndose (zich verbazend) sorprendido (verrast) -er /
A2
Suspender (suspenden)
Suspendiendo (schorsend) Suspendido (geschorst) -er /
A1
Tender (ophangen)
Tendiendo (aan het ophangen) Tendido (opgehangen) -er e => ie Electrodomésticos (Huishoudelijke apparaten)
A1
Tener (hebben)
Teniendo (Hebbende) Tenido (Gehad) -er e => ie Decir tu edad (Je leeftijd zeggen)
A1
Toser (Hoesten)
Tosiendo (Hoesten) Tosido (ik heb gehoest) -er Enfermedad y dolor (Ziekte en pijn)
A1
Traer (Brengen)
Trayendo (aan het brengen) Traído (gebracht) -er Electrodomésticos (Huishoudelijke apparaten)
B2
Vencer (overwinnen)
venciendo (overwinnen) vencido (verslagen) -er /
A1
Vender (verkopen)
Vendiendo (aan het verkopen) Vendido (verkocht) -er Precios y dinero (Prijzen en geld)
A1
Ver (zien)
Viendo (aan het kijken) Visto (Gezien) -er Días de la semana y partes del día. (Dagen van de week en dagdelen)
A1
Volver (Terugkeren)
Volviendo (terugkerend) Vuelto (teruggekeerd) -er Pedir y dar direcciones. (Routebeschrijving vragen en geven)
A1
Abrir (openen)
Abriendo (Openend) Abierto (Open) -ir Muebles (Meubilair)
B1
Aburrirse (zich vervelen)
aburriéndose (zich vervelend) aburrido (verveeld) -ir /
B1
Aplaudir (applaudisseren)
aplaudiendo (applaudisserend) aplaudido (geapplaudiseerd) -ir /
A2
Asistir (Assisteren)
Asistiendo (bijwonend) Asistido (Geassisteerd) -ir Clases de pasatiempos (Hobbylessen)
A2
Añadir (Toevoegen)
añadiendo (toevoegend) añadido (toegevoegd) -ir En el banco (Bij de bank)
A1
Compartir (Delen)
Compartiendo (delend) Compartido (Gedeeld) -ir Vivienda y alojamiento (Huisvesting en accommodatie)
B1
Concebir (zinaankomen)
concibiendo (concebendo) concebido (geconcipieerd) -ir e => i /
B1
Concluir (concluderen)
concluyendo (concluderend) concluido (afgesloten) -ir /
A1
Conducir (Rijden)
Conduciendo (Rijdend) Conducido (Geleid) -ir Transporte (Transport)
B2
Conseguir ((te) verkrijgen)
consiguiendo (verkrijgend) conseguido (verkregen) -ir e => i /
B1
Construir (bouwen)
construyendo (bouwend) construido (gebouwd) -ir /
B2
Consumir (consumeren)
consumiendo (consumerend) consumido (geconsumeerd) -ir /
A1
Convivir (samenwonen)
Conviviendo (samenwonend) Convivido (samengewoond) -ir Nuestra casa (Ons huis)
A1
Cumplir (vervullen)
Cumpliendo (Nakomen) Cumplido (Voltooide) -ir Decir tu edad (Je leeftijd zeggen)
B2
Debatir (debatteren)
debatiendo (debatteren) debatido (debatteren) -ir /
A2
Decidir (Beslissen)
Decidiendo (beslissend) Decidido (Besloten) -ir Estar jubilado (Met pensioen gaan)
A1
Decir (zeggen)
Diciendo (Zeggend) Dicho (Gezegd) -ir Decir tu nombre (Je naam zeggen)
B2
Deducir (deduceren)
deduciendo (deducerend) deducido (gededuceerd) -ir /
A2
Describir (Beschrijving)
Describiendo (beschrijvend) Descrito (beschreven) -ir Going for a Sunday walk (Going for a Sunday walk)
A1
Despedirse (zich afscheid nemen)
Despidiéndose (Afscheid nemend) Despedido (Afgescheid) -ir e => i Saludos y despedidas (Groeten en afscheid)
B1
Dirigir (dirigeren)
dirigiendo (leiden) dirigido (geleid) -ir /
B2
Disminuir (verminderen)
disminuyendo (afname) disminuido (verminderd) -ir /
A2
Divertirse (Zich amuseren)
Divirtiéndose (Zich vermakend) Divertido (Geamuseerd) -ir e => ie Clases de pasatiempos (Hobbylessen)
A1
Dormir (slapen)
Durmiendo (slapend) Dormido (geslapen) -ir o => ue Rutinas diarias (Dagelijkse routines)
A2
Elegir (kiezen)
Eligiendo (kiezend) Elegido (Gekozen) -ir Transporte (sostenible) ((Duurzaam) vervoer)
B2
Emitir (uitgeven)
emitiendo (emitteren) emitido (uitgegeven) -ir /
A1
Escribir (schrijven)
Escribiendo (Schrijvend) Escrito (Geschreven) -ir Decir tu nombre (Je naam zeggen)
A2
Existir (Bestaan)
existiendo (bestaande) existido (bestaan) -ir En el camping (Op de camping)
A2
Imprimir (afdrukken)
Imprimiendo (aan het printen) Imprimido (geprint) -ir Oficina y reuniones (Kantoor en vergaderingen)
B1
Influir (beïnvloeden)
Influyendo (Beïnvloedend) Influido (Beïnvloed) -ir /
A2
Inscribirse (Zich inschrijven)
inscribiéndose (inschrijven) inscrito (ingeschreven) -ir Mi tiempo en la escuela (Mijn tijd op school)
B1
Introducir (invoeren)
introduciendo (invoerende) introducido (ingevoerd) -ir /
B1
Invertir (investeren)
invirtiendo (investeren) invertido (geïnvesteerd) -ir e => ie /
A1
Ir (Gaan)
Yendo (aan het gaan) Ido (gegaan) -ir Estaciones, meses y partes del año. (Seizoenen, maanden en delen van het jaar)
A1
Irse (Weggaan)
Yéndose (weggaand) Ido (gegaan) -ir Transporte (Transport)
B2
Lucir (Laten zien)
luciendo (pronkend) lucido (geluisterd) -ir /
B2
Medir (meten)
midiendo (meten) medido (gemeten) -ir e => i /
A2
Morir (sterven)
Muriendo (stervend) Muerto (overleden) -ir o => ue Planes familiares (Gezinsplannen)
A1
Oír (Horen)
Oyendo (horende) Oído (gehoord) -ir Sentidos y percepción (Zintuigen en waarnemen)
A1
Pedir (vragen)
Pidiendo (vraagd) Pedido (gevraagd) -ir e => i Preguntar cosas (Dingen vragen)
A1
Preferir (Verkiezen)
Prefiriendo (voorkeur gevend) Preferido (voorkeur) -ir e => ie Estaciones, meses y partes del año. (Seizoenen, maanden en delen van het jaar)
B1
Prevenir (voorkomen)
previniendo (voorkomend) prevenido (voorkómen) -ir e => ie /
B2
Producir (produceren)
produciendo (producerend) producido (geproduceerd) -ir /
A2
Recibir (ontvangen)
Recibiendo (Ontvangend) Recibido (Ontvangen) -ir En el banco (Bij de bank)
B1
Reducir (verminderen)
reduciendo (verminderend) reducido (reducido) -ir /
A1
Repetir (herhalen)
Repitiendo (Aan het herhalen) Repetido (Herhaald) -ir e => i Preguntar cosas (Dingen vragen)
B1
Reproducir (reproduceren)
reproduciendo (aan het afspelen) reproducido (afgespeeld) -ir /
B1
Rescindir (rescinderen)
rescindiendo (rescindiendo) rescindido (ontbonden) -ir /
B2
Resumir (resumir)
resumiendo (samenvattend) resumido (resumido) -ir /
A1
Salir (Uitgaan)
Saliendo (Uitgaand) Salido (Uitgegaan) -ir Viernes por la noche (Vrijdagavond uit)
A2
Seguir (volgen)
Siguiendo (volgend) Seguido (gevolgd) -ir e => i At the airport and in the plane (At the airport and in the plane)
A1
Sentirse (Zich voelen)
Sintiéndose (Zich voelend) Sentido (gevoeld) -ir e => ie Emociones y sentimientos (Emoties en gevoelens)
B1
Servir (serveren)
sirviendo (serverend) servido (geserveerd) -ir e => i /
A1
Sonreír (glimlachen)
Sonriendo (Glimlachend) Sonreído (Glimlachend) -ir e => i Emociones y sentimientos (Emoties en gevoelens)
A2
Subir (omhooggaan)
Subiendo (Aan het beklimmen) Subido (gestegen) -ir Going for a Sunday walk (Going for a Sunday walk)
B2
Sufrir (lijden)
sufriendo (lijdend) sufrido (geleden) -ir /
B1
Suscribirse (zich abonneren)
suscribiéndose (zich abonnerend) suscrito (geabonneerd) -ir /
A1
Vestirse (zich aankleden)
Vistiéndose (zich aan het aankleden) Vestido (Aangekleed) -ir e => i Rutinas diarias (Dagelijkse routines)
A1
Vivir (leven)
Viviendo (Levend) Vivido (Geleefd) -ir ¿De dónde eres? (Waar kom je vandaan?)